2. De rol van de media en de intellectuele elite in de Rwandese Genocide

 

2.1 Genocide in Rwanda

Op 6 april 1994, werd het vliegtuig van president Juvinal Habyarimana (met daarin ook de president van Burundi) neergeschoten. Deze aanslag was het startsein voor de genocide in Rwanda, waarbij in enkele maanden tijd honderdduizenden slachtoffers vielen. Het was een geplande actie, waarbij politieke leiders, regionale functionarissen, militairen en de radio nauw samenwerkten. Enkele uren na de aanslag op Habyarimana wierpen Hutumilities overal in hoofdstad Kigali wegblokkades en begonnen te moorden. Dit zou uitlopen op een genocide gericht tegen de tegenstanders van de ‘Hutu-power-beweging’ en in het bijzonder de Tutsi’s. De daders keerden zich tegen de Arusha Vredesakkoorden, de rebellen van het Rwandese Patriottische Front (RPF) en de Tutsi-bevolking.

Die Hutu-Power-beweging had als doel de partijgrenzen te overschrijden en alle Hutu’s te verenigen tegen de vijand, RPF en haar ‘Tutsi-handlangers’. Zij wilde dat de regeringsmacht in Rwanda, die sinds de revolutie van 1959 in handen van Hutu’s was, bij de Hutubevolking bleef. Ook president Habyarimana zelf was niet alleen bang voor het RPF, maar ook voor Hutu’s in de oppositie, daarom werd er bewust voor gekozen, de Tutsi de vijand te maken en zodoende de Hutu’s te verenigen. Direct na de eerste aanval van het RPF in Rwanda in 1990 begon de regering Habyarimana met ‘dehumaniserende’ propaganda tegen de Tutsi’s en vonden er op regelmatige basis slachtpartijen plaats van onschuldige burgers (de eerste al in oktober 1990). Ook begon men met het maken van dodenlijsten.

In de loop van de jaren negentig werden er milities op de been gebracht door verschillende (Hutu)partijen, zogenaamd ter verdediging van de bevolking. De bekendste hiervan waren Interhamwe (gelieerd aan de partij van president Habyarimana: MDNR) en Impuzamugambi (dat bij de extremistische Hutu-partij CDR hoorde). Daarnaast werd er gewerkt aan een algemeen burgerbewapeningsprogramma.

De Hutu-elite gebruikte haar macht en de media om de vredesakkoorden te ondermijnen, in het bijzonder de krant Kangura en het particuliere radiostation Radio Television Libre de Milles Collines (RTLM), waarover een groot gedeelte van dit werkstuk gaat. Beiden waren niet alleen gekant tegen de Arusha Akkoorden, maar ook tegen de gematigde Hutu’s, de rebellen van het RPF en op een racistische manier tegen de Tutsi’s.

Ruim drie maanden voor aanvang van de genocide, kreeg VN-commandant Romeo Dallaire, van een (binnen de Interhamwe) hooggeplaatste informant te horen, dat er moorden op gematigde politici, op (Belgische) vredestroepen en op onschuldige Tutsi’s gepland werden. Romeo Dallaire vroeg zijn superieuren bij de VN om op te treden, maar kreeg hiervoor geen toestemming.

De aanslag op de president kan dus gezien worden als het lont die het kruitvat deed ontploffen. Maar de voorbereidingen voor de genocide waren allang getroffen en heeft een lange voorgeschiedenis. De ongelijke behandeling van verschillende bevolkingsgroepen heeft een geschiedenis, die terug te voeren is op de koloniale tijd. De Belgische koloniale overheid creëerde een beleidsmatig verschil tussen Hutu’s en Tutsi’s en gaf daarbij de Tutsi’s de leiding. Later met de ‘revolutie’ van 1959 grepen Hutu’s (die de ruime meerderheid van de Rwandese bevolking vormen) de macht. Maar ook het etnische geweld in buurland Burundi speelt een rol, in beide landen kennen de Hutu’s en de Tutsi’s een geschiedenis van racisme en wederzijds wantrouwen. In dit werkstuk richt ik mij slechts op twee elementen: de rol van intellectuelen en de media in de genocide van 1994, verenigd in de persoon van Ferdinand Nahimana.

2.2 De Universiteit van Rwanda

Intellectuelen kunnen allerlei rollen spelen tijdens perioden van extreme gewelddadigheid. De rol van slachtoffer, zoals onder het regime van Pol Pot of bij de moorden in Rwandaas buurland Burundi, waar in de moorden van 1972 van Tutsi’s op Hutu’s vooral ‘werk werd gemaakt’ van intellectuelen (in zeer ruime betekenis van het woord: mensen met een hogere opleiding), maar ook de rol van dader of medeverantwoordelijke: “Anti-Semitism was fueled not just by vulgar rumor but by the deliberate propaganda of intellectuals“, schreef Paul Johnson over het antisemitisme in Europa. Ook in Rwanda speelden intellectuelen en wetenschappers als propagandamakers een belangrijke rol in de genocide. De in de jaren ’50 opgerichte Nationale Universiteit van Rwanda in de stad Butare was niet alleen het intellectuele centrum van het land, maar ook het ‘intellectuele hoofdkwartier van de extremisten die de genocide planden’.

We had killers on campus. When I say killers, maybe they didn’t pick up machetes and cut people down, but they master- minded the genocide. All the killing in Rwanda was carefully planned by intellectuals and those intellectuals all passed through this university” , vertelde Emmanuel Bugingo aan een journalist van The Independent. Deze voormalige professor in Chicago, werd in 1995 door de nieuwe Rwandese regering aangewezen om de Nationale Universiteit te hervormen. Volgens Bugingo dateerde de politisering van de universiteit van 1973, het jaar dat Habyarimana aan de macht kwam. Vanaf toen werd er niet meer alleen geselecteerd op capaciteiten, maar ook op regio van herkomst en etniciteit. En misschien nog wel belangrijker er was geen ruimte meer voor een open academisch debat. In dat jaar werd ook de extremistische anti-Tutsi studentenorganisatie ‘Comité de salut public’ opgericht.

De intellectuelen zorgden niet alleen voor binnenlandse organisatie en legitimatie van de genocide, in de communicatie naar het buitenland zorgden zij er ook voor dat het beeld van een ‘tribale stammenoorlog’ in stand werd gehouden: ‘The architects of the genocide had their intellectuals too, who had read their history books, and were able to present superficially plausible proof that this was indeed an ‘ inter-ethnic’ or ‘ tribal ’ conflict, deeply rooted in the history of the Great Lakes region. For the West, it was almost as if genocide was not really happening, only a simulacrum on television’ , schreef Heleen Hintjes in haar uitgebreide essay ‘Explaining the genocide in Rwanda’.

Twee in het buitenland opgeleide professoren van deze universiteit zouden in de loop van de jaren negentig hun academische carrière verlaten en zich volledig op de overheidspropaganda richten: Leon Mugesera en Ferdinand Nahimana. Allebei kregen zij begin jaren ‘90 belangrijke ambtelijke posities onder de regering Habyarimana. Beiden richtten zich op de dreiging van de Tutsi’s, die zij ervan beschuldigden de oude monarchie te willen herstellen. In een pamflet uit 1991 stelde Mugesera dat het RPF een genocide op de ‘Hutu-meerderheid’ wilde plegen. Nahimana schreef in 1993, dat de ‘Tutsi samenzwering’ uit was op een groot Hima-rijk, dat zich over verschillende landen zou uitstrekken.

2.3 De Radio

a. Het ontstaan en de populariteit van RTLM

Aangezien een groot gedeelte van de Rwandese bevolking ongeletterd is of op een afgelegen plek woont waar niet of nauwelijks kranten te verkrijgen zijn, is de radio voor Rwandezen de belangrijkste nieuwsbron. Het nieuws op de radio wordt door veel mensen voor waar aangenomen en wordt vaak gezien als de stem van de overheid. Tot 1993 was de staatszender Radio Rwanda de enige zendgemachtigde in het land.

In 1993 kreeg de propaganda van de Hutupower-beweging een belangrijke spreekbuis: RTLM (Radio Television de Mille Collines, wat letterlijk ‘Vrije Radio en Televisie van de Duizend Heuvels’ betekent). RTLM was de enige particuliere radiozender in Rwanda en was in handen van Hutu-‘hardliners’ uit de kringen van de partij van Habyarimana MRND en het extremistische CDR. De zender had aandeelhouders afkomstig uit de economische, militaire, intellectuele en politieke Hutu-elite, bijna allen uit het noorden van Rwanda. President Habyarimana zelf was er één van, maar ook mensen als Georges Rutagunda, leider van de aan de MRND gelieerde militie Interhamwe, en directeur van de Centrale Bank Augustin Ruzindana hadden een aandeel in de zender. De zender werd onder meer geleid door de belangrijke historicus en voormalig directeur van ORINFOR (het Rwandese ministerie van informatie) Ferdinand Nahimana.

Tijdens de vredesonderhandelingen in Arusha werd overeengekomen dat de staatsradiozender Radio Rwanda een breder en objectiever uitzendaanbod moest geven. Dit aanbod moest een afspiegeling worden van het Rwandese etnische en politieke landschap. Er was geen ruimte meer voor anti-Tutsi propaganda. Als reactie op deze maatregelen besloot een groep prominente Rwandezen, uit de kringen van MRND en de besloten kring rondom de president, de Akazu, die eerder een grote invloed hadden op de staatsradio, een eigen radiostation op te richten. Deze zender zou geheel in het teken komen te staan van de extremistische Hutupower propaganda.

RTLM begon in juli 1993 met haar uitzendingen op FM 106 en werd meteen razend populair. Er werd veel, vooral onder jongeren, populaire muziek gedraaid (reggae en popmuziek uit Zaïre, Congo en Kameroen). De eerste drie weken dat RTLM in de lucht was, werd er zelfs alleen muziek gedraaid. Muziek werd niet alleen gebruikt om de populariteit van de zender te verhogen, ook voor de anti-Tutsi propaganda zelf werd muziek gebruikt. Eén van de populairste en zeer vaak gedraaide nummers op de zender was bijvoorbeeld ‘Ik haat de dat soort Hutu’s’ van Simon Bikindi. Waarin gezongen werd over de niet-solidaire Hutu, die ‘heulden met de vijand, de Tutsi’s’.

Naast populaire muziek werd ook het nieuws en de informatie op een populaire manier gebracht, met humor, anekdotes, en persoonlijke boodschappen, maar ook roddels en beledigingen. Een belangrijk onderdeel van de uitzendingen was de zogenaamde inkuruishushe (‘heet nieuws’). De hele dag was er een jingle te horen met ‘wij hebben het laatste hete nieuws’. Dit hete nieuws varieerde van gefantaseerde aanvallen door Tutsi/RPF-rebellen tot roddels over het privé-leven van oppositieleden. RTLM was ook werkelijk zeer informatief voor de gewone luisteraar, het gaf handige adressen en telefoonnummers van overheidsinstanties en de data van dorpsvergaderingen door. Daarnaast introduceerde RTLM het fenomeen ‘interactieve’ radio in Rwanda. Luisteraars konden naar de studio bellen om een liedje aan te vragen of om nieuwtjes, roddels en informatie uit hun omgeving door te geven, deze berichten werden dan, zonder verificatie, rechtstreeks uitgezonden. Voor het eerst had de gewone Rwandees de mogelijkheid zijn stem te laten horen.

Een zender met een zeer informele stijl dus, die brede lagen van de bevolking en in het bijzonder jongeren aansprak en van belangrijke informatie voorzag. Een groot contrast met het saaie Radio Rwanda, dat op een formele manier het nieuws bracht en ellenlange speeches van de president integraal uitzond. Wie wilde weten wat er zich in het land, de regio of op de heuvel afspeelde, of wie gewoon een gezellig muziekje wilde luisteren, kwam vrijwel zeker bij RTLM terecht. Zelfs Rwandaas belangrijkste mensenrechtenactiviste Monique Mujawamariyana vond RTLM in eerste instantie een leuke zender met goede muziek en grappige, levendige uitzendingen. Al viel haar al direct op dat er op de zender veel over de revolutie van 1959 werd gesproken. De informele stijl behield RTLM te allen tijde, ook tijdens de genocide.

De radiozender ging in de concurrentieslag met andere media zeer voortvarend te werk, zij rekruteerde belangrijke journalisten en intellectuelen uit alle lagen van de bevolking. Veel van hen waren eerder werkzaam geweest bij de geschreven pers. Volgens Kellow en Steeves (1998), was dit onderdeel van een grotere campagne om de invloed van de geschreven pers in te dammen en de mensen nog afhankelijker te maken van de (overheids)radio. Verschillende kranten verdwenen uit de roulatie door het ‘agressieve’ rekruteringbeleid van RTLM. Bovendien versterkten deze belangrijke en bekende journalisten de geloofwaardigheid van RTLM, ook bij de krantenlezers.

Het bereik van RTLM was in eerste instantie beperkt tot de hoofdstad Kigali, terwijl het overheidsstation Radio Rwanda het hele land bestreek, in de loop der tijd gebruikte RTLM echter steeds vaker de frequentie van Radio Rwanda (en zond Radio Rwanda dus steeds minder vaak uit). Op deze manier hoefde Radio Rwanda geen verantwoordelijkheid te nemen voor the extremistische haatcampagne van RTLM. Na 6 april 1994 kwam ook Radio Rwanda in handen van de extremisten. Directeur van de staatszender Higero vluchtte het land uit, nadat hij op RTLM met de dood bedreigd werd. De nieuwe directeur werd een journalist die eerder bij Radio Rwanda was ontslagen, in verband met de uitzendingen van maart 1992 (waarover later meer). Op RTLM werd die wisseling van de wacht bij Radio Rwanda gevierd als de verandering van een ‘rivaal’ in een ‘zuster’.

b. De haatcampagne van RTLM

Vanaf het begin van de uitzendingen was de zender racistisch en gekant tegen de vrede met het RPF, maar in de periode na 6 april nam de oproep tot etnische haat en geweld steeds verder toe. RTLM moedigde Hutu’s expliciet aan Tutsi’s te vermoorden. Zowel voor als na 6 april werden namen van individuele Tutsi’s en Hutu-oppositieleden uitgezonden, waarna in meerdere gevallen deze personen werden vermoord.

De boodschap van RTLM bestond uit etnische stereotypering, met als doel angst voor en haat tegen de Tutsibevolking te vergroten en de solidariteit onder de Hutu’s te bevorderen. Tijdens de uitzendingen van RTLM werden de luisteraars opgeroepen de vijand te ‘identificeren’ en de wapens tegen hen op te nemen. Deze vijand, het RPF en zijn ‘handlangers’, werd door RTLM zelf duidelijk geïdentificeerd als alle Tutsi’s. Daarnaast liet de zender zich zeer vijandig uit over de (Belgische) VN-militairen, Hutu’s die de extremistische opvattingen niet deelden en het vredesakkoord dat in Arusha getekend was.

De rol van de media en zeker die van RTLM in de aanloop naar en in het verloop van de genocide kan moeilijk overschat worden. Bij de beruchte wegblokkades die de militieleden hadden opgeworpen om alle voorbijgangers te controleren op hun etniciteit, stond permanent de opzwepende en aanmoedigende radio aan. In de ene hand een radio in de andere een machete (kapmes). De zender kreeg niet voor niets de bijnaam Radio Machete. De radio werd het communicatie middel om de genocidaires aan te sporen ‘de handen uit de mouwen te steken.’ Veel verdachten in de gevangenissen van Rwanda zeggen dat ze geen keus hadden; politici, militairen en de presentatoren riepen allemaal het zelfde: ‘aan het werk’ en dat betekende Tutsi’s vermoorden.

RTLM kon de gehele periode van de genocide blijven uitzenden. Hoewel er veel stemmen opgingen om de zender uit te schakelen of te verstoren is dit niet gebeurd. Onder meer VN-generaal Romeo Dallaire probeerde Washington en de VN over te halen RTLM te neutraliseren. De radiozender werd in de gaten gehouden door het Amerikaanse National Security Agency van het ministerie van defensie, maar welke informatie men in Washington precies had is op heden niet vrijgegeven. Wel blijkt, uit de door National Security Archive met de Wet Openbaarheid Bestuur boven water gehaalde documenten van de Amerikaanse overheid, dat er in het Pentagon wel degelijk gesproken is over het verstoren van de zender, maar dat, vanwege de kosten ($ 8.500 per uur) en de mogelijke juridische complicaties, werd besloten dat het geld beter aan (assistentie bij) humanitaire hulp kon worden uitgegeven.

c. Het bereik van de radio

Het bereik van de radio in Rwanda is groot, in 1991 had 29 procent van de Rwandese huishoudens een radio. Maar aan het begin van de genocide was dit aantal nog veel hoger, in sommige regio’s werden gratis radio’s uitgedeeld door de regering en als mensen niet thuis konden luisteren dan konden ze dat wel bij buren of in een bar. Zeker toen de communicatie en reismogelijkheden door de genocide zeer moeilijk werden, werd de radio de enige nieuwsbron en daarmee ook de enige autoriteit voor het interpreteren van de gebeurtenissen in het land. Velen zullen de radio, letterlijk als de stem van de overheid geïnterpreteerd hebben, wat begrijpelijk is aangezien voorheen alleen staatszender Radio Rwanda via de ether te beluisteren was. Bovendien was RTLM op verschillende manieren aan de overheid, Radio Rwanda en de belangrijkste politieke partij MRND gelieerd, zowel materieel als zoals ik al schreef in de aandeelhoudersstructuur.

Milities en militairen waren getraind voor het moorden en daar (gedeeltelijk) op voorbereid, maar de gewone mannen die aan de moordpartijen deelnamen zeggen vaak door de propaganda van de (regerings)radio overtuigd te zijn. Een van deze ‘gewone mannen’ werd in augustus 1994 geciteerd door The New Republic: “I did not believe the Tutsis were coming to kills us, but when the government radio continued to broadcast that they were coming to take our land, were coming to kill the Hutus – when this was repeated over and over – I began to feel some kind of fear. Dit citaat is op twee manieren belangrijk: ten eerste stelt deze genocidaire RTLM en de radio in het algemeen op één lijn met de regering, de stem uit de radio is de stem van de regering. Daarnaast toont hij het effect dat propaganda kan hebben op de bevolking, deze man geloofde in eerste instantie niet dat de Hutu’s gevaar liepen, maar de veelvuldige herhaling van de boodschap overtuigden hem uiteindelijk, maakte hem bang en motiveerde hem de wapens op te pakken en mee te moorden.

Al snel kwam ook mensenrechtenactiviste Monique Mujawamariyana tot het besef dat RTLM een gevaarlijke zender was. ‘Ik maakte me zorgen na het beluisteren van de programma’s, want in de Rwandese cultuur vermoorden woorden sneller en efficiënter dan wapens. Onze mensen zijn niet goed opgeleid. Steeds vaker werden de namen van mensen en buurten op de radio genoemd, waarna al snel de Interhamwe arriveerde om de buurten te doorzoeken. Ook Mujawamariyana zelf werd slachtoffer van de RTLM-propaganda en werd regelmatig aangevallen. Volgens Mujawamariyana waren er ook veel mensen die naar RTLM luisterden om te weten of ze zelf gevaar liepen.

2.4 Propagandatechnieken

Twee belangrijke tactieken werden er door de Rwandese Radiozenders gebruikt, eerst door Radio Rwanda en later vooral door RTLM. ‘Omgekeerde beschuldiging’ en regelrechte leugen. Belangrijke propagandisten, zoals Ferdinand Nahimana, gaven met hun status als wetenschapper en intellectueel extra geloofwaardigheid aan de informatie.

Tijdens een lezing in Filmhuis Kriterion sprak historica en Rwanda-expert Allison des Forges van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) over die omgekeerde beschuldiging: ‘accusation in a mirror’. Een propagandatechniek die door RTLM gebruikt werd om de angst voor de Tutsi’s te vergroten en de solidariteit van de Hutu’s onderling te bevorderen. De techniek komt er op neer, dat men de ‘tegenpartij’ (in dit geval de Tutsi’s, het RPF of de ‘Tutsi Samenzwering’) beschuldigt van wat men in werkelijkheid zelf van plan is te doen of al doet. Zoals Mugesera, die de Tutsi’s van genocide op Hutu’s beschuldigde, de extremistische krant Kangura die een spotprent maakte met een Tutsi afgebeeld als Hitler. Een ander voorbeeld gaf getuige “X” in de zaak tegen Nahimana, hij vertelde de rechtbank dat RTLM op een gegeven moment het nieuwsbericht uitzond dat het RPF lijsten aan het maken was van Hutu’s die vermoord moesten worden.

Daarnaast werd er gebruik gemaakt van ordinaire leugens; er werden gebeurtenissen verzonnen om de angst en haat van mensen aan te wakkeren. Zo werden verzonnen aanvallen op Hutu’s als nieuws gebracht op de radio. Een vroeg voorbeeld hiervan is een uitzending van Radio Rwanda in maart 1992, waarbij de verzonnen berichtgeving op Radio Rwanda leidde tot een slachtpartij op honderden Tutsi’s in Bugusera.

De propagandisten borduurden voort op bestaande ideeën en vooroordelen, zoals de oude mythe dat de Tutsi een vreemd volk zijn afkomstig uit Ethiopië. Een versie van de geschiedenis die teruggaat tot de eerste westerse geschriften over Rwanda van Van Speke. Van Speke maakte een onderscheid tussen Hutu’s en Tutsi’s op basis van fysieke en geestelijke eigenschappen en gaf daar een regio van oorsprong aan. Dit beeld, de Tutsi die als buitenlandse overheerser naar Rwanda was gekomen om de Bantu-Hutu te onderdrukken, werd door de propagandamakers levendig in stand gehouden en gebruikt als referentiekader voor de anti-Tutsi propaganda. Zo sloten zij de propaganda aan bij bestaande historische en racistische mythes, die veel Rwandezen al op school hadden geleerd: het vermeende raciale verschil tussen Hutu en Tutsi. De ‘onoverbrugbare’ verschillen tussen de volken werden vergeleken met die tussen man en vrouw.

Een andere mythe die gebruikt werd, doet denken aan ‘De protocollen van de Wijzen van Zion’: het bestaan van een ‘Tutsi eenheid’ of ‘Tutsi samenzwering’. De vreemde ‘Ethiopiërs’ hadden geen recht om in Centraal Afrika te wonen, maar waren wel overal geïnfiltreerd, Tutsi’s sturen hun vrouwen eropuit om invloedrijke Hutu’s te verleiden en er zijn zelfs Tutsi’s met Hutu-identiteitspapieren. Al die Tutsi’s zouden samenwerken met het RPF aan het hogere doel: de herinvoering van de feodale structuur onder leiding van de Tutsi’s.

Socioloog Abraham de Swaan noemde de propaganda treffend ‘mobilisatie van de fantasie’ en ziet daarin een glijdend proces, maar zeker niet nieuw: ‘Die propagandisten waren helemaal niet vervreemd van de grote meerderheid, maar verwoordden ideeën die sinds jaren in brede kring circuleerde onder Hutu’s.’ In zijn korte analyse laat hij zien dat er inderdaad wordt aangesloten bij bestaande denkbeelden en stereotypen: Tutsi als manipulators, Tutsi vrouwen als verleidsters, belust op het (terug)winnen van de macht. Vervolgens ging men een stap verder en zegt dat de Hutu geen medelijden meer mag hebben met de Tutsi. Een letterlijke oproep tot wat hij noemt ‘desidentificatie’, die er tevens opwijst dat er blijkbaar voorheen wel wederzijdse sympathie was. In dit verband is ook de term Inyenzi ‘kakkerlakken’ interessant, immers de kakkerlak is een beest, dat maar blijft komen, dat keer op keer bestreden moet worden. Maar het gaat niet alleen om desidentificatie met de Tutsi, ook om een sterke identificatie van de Hutu’s onderling, het vormen van een Hutu-identiteit.

Lees verder: Hoofdstuk 3. De Rol van Ferdinand Nahimana bij de Genocide in Rwanda


Leave a Reply

Greenhost webhosting