Slapen in het secreet

Onder de brug slapen is bijna spreekwoordelijk geworden voor het leven van daklozen op straat. Beschutting zoeken tegen de elementen gebeurde vroeger natuurlijk net zo goed als nu. Onder verschillende bruggen in de stad bevonden zich openbare secreten (urinoirs), waar Amsterdammers in de 17de en 18de eeuw hun behoefte konden doen. Het moeten behoorlijk smerige plaatsen zijn geweest; niet zelden werd er zelfs een lijk uit opgehaald. Maar het waren ook plekken voor buitenstaanders in de samenleving. Bekend is dat mannen er op zoek gingen naar homoseksuele contacten. Daklozen sliepen er: mannen en vrouwen op de vlucht voor de winterkou. Soms ging het om wonderlijke types, zoals ‘Waarzegster Janneke’ en ‘Malle Kees met de bellen’.

Lees het hele verhaal op onsamsterdam.nl

Leven tussen ’t Recief en Amsterdam

Kort na haar oprichting in 1621 liet de West-Indische
Compagnie (WIC) haar oog vallen op de suikerregio’s in het
noordoosten van Brazilië. In 1624 lukte het om Salvador de
Bahia te bezetten, de Portugese hoofdstad van Brazilië.
Door gebrek aan ondersteuning moesten de Nederlanders
de stad al gauw weer opgeven, maar in 1630 slaagden ze
erin de suikerregio’s Paraiba en Pernambuco te veroveren.
Als het grootste suiker producerende gebied ter wereld, was
Pernambuco de hoofdprijs. Deze gebieden vormden de basis
voor de kolonie Nova Holanda of Nederlands-Brazilië, met als
centrum ’t Recief, het huidige Recife.

De korte tijd dat de Nederlanders het er voor het zeggen
hadden, was een tijd van ongekende diversiteit. In Recife
woonden mensen van verschillende geloven, etnische
herkomst en culturen. De WIC hield zich op grote schaal
bezig met slavenhandel en duizenden tot slaaf gemaakte
Afrikanen kwamen door Recife op weg naar de suikerplantages.
De Hollanders smeedden ook allianties met de inheemse
bevolking, de ‘Brasiliaenen’, en Recife kende de eerste
joodse gemeenschap van Amerika. Omdat de kolonie vrijwel
permanent in staat van oorlog was, waren er ook duizenden
huursoldaten: jongens en jongemannen uit heel Europa die
hun eigen talen en culturen meebrachten.

Samen met Bruno Miranda schreef ik een stuk voor het tijdschrift Monumentaal.

Een lederschildpad uit Suriname (1763)

Met de expansiedrift in Oost en West kwamen er steeds meer exotische dieren naar de stad. Amsterdammers waren in het algemeen verzot op vogels. In boedelbeschrijvingen komen regelmatig parkieten, papegaaien en kaketoes voor. In een testament uit 1647 wordt zelfs het eigendom van een “pelikaanvogel” over twee kinderen verdeeld. 

Matrozen namen vogels en apen mee als souvenir of handelswaar. Op 10 juli 1636 verschenen WIC-kapitein Pierre le Grand en een bierhandelaar bij notaris Henrick Schaef om een verklaring af te leggen op verzoek van Catharina Wiltschut, huisvrouw van collega-kapitein David Adam Wiltschut. Catharina was boos. Haar was een parkiet beloofd, “sijn[de] een indiaensche vogel, die in t spreken van woorden uit verscheijden talen wel geleert was”, maar ze werd opgezadeld met een papegaai. De parkiet was, zo vertellen de getuigen, toevertrouwd aan luitenant Johan van Oosterzee, die de meertalige vogel in Amsterdam aan Wiltschut moest afleveren, maar in Zeeland had geruild voor een papegaai.

Lang niet alle exotische dieren overleefden de lange reis over de oceaan. In april 1763 vertrok het fregat Geertruij en Elsje uit Suriname met aan boord niet alleen de gebruikelijke koffie en suiker, maar ook een “zeer groote zeeschilpad” om in Amsterdam af te leveren. Het dier overleefde de reis niet: hij overleed op 19 mei 1763. Omdat het dode dier erg begon te stinken, gooide de bemanning het in zee. Waarschijnlijk was het een lederschildpad, die van februari tot juli op de modderige stranden van Suriname eieren legt. 

Een enkele keer kwam een aap in een notariële akte terecht, zoals op 7 oktober 1786. Een drietal vrouwen uit de Jordaan legde een verklaring af over de overlast die zij hadden van Jan Straatman en zijn aap. De dames zaten enkele dagen eerder in Laurierstraat bij de Metselaarsgang aan een tafeltje met koekjes, toen Straatman met zijn aap passeerde. De man liet het beestje plotseling los, de koekjes vormden een aantrekkelijke buit en binnen een mum van tijd at de aap bijna alle koekjes op. 

Meer over dieren in notariële akten in ‘‘Een haes die op de trommel slaet’ op de website van Ons Amsterdam (op papier verschenen oktober 2019)

Heibel in Herberg de Hulk

Een dronken opschepper aan de Gaasp

‘Siet daer, dat geef ik u’. Met die woorden smeet de dronkenlap een bosje gras waarmee hij net z’n gat had afgeveegd naar Weyntje Schouten, de keurige vrouw van de Amsterdamse koopman Pieter Gerritsz Hooft. Het was op een zomeravond in 1639 en het gebeurde in de tuin van herberg De Hulk bij de Gaasp, aan de rand van de Bijlmer.

Lees het artikel op de website van Ons Amsterdam.

Verschenen op papier in april 2019.

‘Twee mooren in een stuck van Rembrandt’ (1656)

Tussen 1630 en 1660 schilderde Rembrandt diverse mensen van Afrikaanse afkomst op straat en in zijn atelier in Amsterdam, met als hoogtepunt het schilderij Twee Afrikanen. In de buurt van zijn atelier bestond een kleine Afrikaanse gemeenschap.

Dit artikel verscheen in Wereldgeschiedenis van Nederland, een initiatief van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Bij de Nederlandse Gouden Eeuw denk je algauw aan schilderkunst en in het bijzonder aan de grootste Nederlandse schilder uit die tijd: Rembrandt Harmensz van Rijn. De uiterst productieve Rembrandt tekende en schilderde vele Amsterdammers uit zijn omgeving, vaak immigranten. Opvallend is het aantal zwarte mannen en vrouwen in het werk van Rembrandt en enkele tijdgenoten. Tussen 1630 en 1660 schetste en schilderde hij verschillende mensen van Afrikaanse afkomst, toen vaak moren genoemd, op straat en in zijn atelier aan de Jodenbreestraat.

Het hoogtepunt in het ‘zwarte’ oeuvre vormt ongetwijfeld het schilderij met twee Afrikanen, dat tegenwoordig, toepasselijk genoeg, in het Mauritshuis hangt. Dat stadspaleis werd door graaf Johan Maurits van Nassau-Siegen, van 1637 tot 1644 gouverneur van Nederlands-Brazilië, gebouwd. De meeste Afrikanen in de Republiek in die tijd hadden ook een deels Braziliaanse geschiedenis.

Slavernij en vrijheid in Amsterdam

Hoewel de aantallen bescheiden waren, kon je in 1646, het jaar dat Bredero’s Moortje voor het eerst in de Stadschouwburg werd gespeeld, in Amsterdam naast mensen uit alle delen van Europa ook immigranten uit Afrika, Azië en Noord- en Zuid-Amerika tegenkomen. Dit was de periode waarin de West-Indische Compagnie (WIC) zich voor het eerst actief met slavenhandel ging bezighouden en de Nederlanders voor enkele tientallen jaren zelfs de belangrijkste slavenhandelaren ter wereld werden. In de periode 1640-1660 werden er ten minste 164 slavenreizen op touw gezet onder Nederlandse vlag. Daarnaast werden er nog eens enkele tientallen Portugese en Britse slavenschepen veroverd. De gevangen Afrikanen op deze schepen werden verhandeld in Nederlands-Brazilië, Spaans-Amerika en verschillende eilanden in het Caribisch gebied.

Hoewel de meeste zwarte mensen in het Nederlands-Atlantische Rijk in Amerika een ervaring van slavernij zullen hebben gehad, betekende dat zeker niet dat alle Afrikanen in slavernij verkeerden, zeker niet in de Republiek. De bronnen zijn schaars, niet vreemd, want slavernij was formeel niet toegestaan in steden als Amsterdam. Letterlijk was er vanaf de jaren 1640 de volgende bepaling opgenomen in het keurboek van Amsterdam: ‘Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven.’ Het tweede artikel stelde wel dat degene die als slaaf werd gehouden, zelf zijn of haar vrijheid moest opeisen.

In de praktijk betekende dit dat slavernij niet op grote schaal voorkwam, maar ook zeker niet afwezig was in Amsterdam. Uit notariële akten blijkt dat er in allerlei huishoudens in Amsterdam mensen voor kortere of langere tijd in slavernij hebben geleefd. Zo woonde in het huis van de in Brazilië geboren scheepskapitein Laurens de Rasiere de zwarte jongen Jan Pick van Angola als slaaf, pas na de dood van de kapitein werd Jan vrijgemaakt door zijn weduwe, omdat hij na jaren van trouwe dienst ‘zijn eigen fortuin wilde zoeken’. Adou Quacou die geboren was in Axim, een plaats aan de kust van het huidige Ghana, waar de wic in 1642 een fort op de Portugezen had veroverd, werd in 1662 in Amsterdam vrijgemaakt door Hubert van Gageldonck, voormalig opperkoopman in Afrika, en is waarschijnlijk daarna teruggekeerd naar Axim.

Ook Portugese Joden die zich rond de val van Nederlands-Brazilië in Amsterdam vestigden, namen vaak zwarte bedienden en soms ook gekleurde familieleden mee. Suikerhandelaar Eliau Burgos nam de vierentwintigjarige Juliana en veertienjarige Esperanca mee. Toen Eliau haar in 1656 naar het Caribische eiland Barbados wilde meenemen, liep Juliana weg. Simeon Correa en zijn vrouw Maria da Costa Caminha schonken de uit Brazilië meegenomen maar in Afrika geboren zwarte vrouw Zabelinha en haar kinderen de vrijheid in Amsterdam. David Nassy die zich later in Suriname zou vestigen nam, naast een aantal bedienden, ene Debora mee. In 1659 verklaarde Nassy dat Debora een vrije ‘mulata ofte bruin vrouwspersoon’ was, in zijn huis geboren, een familielid van gemengde afkomst. Zowel in bronnen van de joodse gemeente als in andere notariële akten draagt zij de naam Nassy.

Rembrandt, Twee Afrikaanse Mannen (1656?/1661), Mauritshuis Den Haag

Zwarte zeelui in Amsterdam

Naast de mensen die in slavernij in Amsterdam terecht waren gekomen, waren er rond 1650 enkele tientallen zwarte zeelui en soldaten, vaak in dienst van de West-Indische Compagnie, die zich in de havenstad Amsterdam vestigden. Deze mannen kwamen zowel uit Afrika als uit de veroverde gebieden, met name Brazilië. Deze zeemannen en soldaten vestigden zich, net als de Portugese Joden, in de buurt van de Jodenbreestraat, de achterliggende Houttuinen, het eiland Vlooyenburg en bij de Sint-Anthoniespoort aan het einde van de straat. Een buurt waar al meer Afrikanen als bedienden in de huizen van Portugezen leefden.

Op 17 januari 1659 werd Francisco van Angola ‘vendrig van Brasil’ begraven op het St.-Anthoniskerkhof in Amsterdam. Francisco had in Brazilië de leiding gegeven aan een ‘Compagnie de negros’ die aan de kant van de Republiek vocht tegen de Portugezen. Na de Nederlandse nederlaag in 1654 vestigde Francisco zich met zijn vrouw Sesijelije Krablije in de Jodenbreestraat, om de hoek bij Rembrandt van Rijn. In deze omgeving woonde in deze periode meerdere zwarte zeemannen, de meesten waarschijnlijk net als Francisco veteranen uit Brazilië. In 1652 trouwde de zeeman Jan Noenes uit Congo met de bediende Marietje Cos uit Angola in Amsterdam. Marietje was met de Braziliaanse suikermakelaar Mozes Navarro naar Amsterdam gekomen, bij wie ze tot aan haar huwelijk woonde vlak achter de Jodenbreestraat in de Houttuinen.

Jan Noenes en Marietje Cos waren niet de enige Afrikanen in deze buurt die in het huwelijk traden. Vanaf het eind van de zestiende eeuw zijn er meerdere Afrikanen geweest die in Amsterdam trouwden. Tot aan de jaren 1620, maar ook na de jaren 1660, deden zij dit vooral met Europese vrouwen, vanaf de jaren twintig tot en met de later jaren 1660 vooral met zwarte vrouwen. Die laatsten waren, zoals Marietje, meestal in slavernij naar de Republiek gekomen, maar leidden inmiddels een redelijk onafhankelijk leven. Het hoogtepunt vormt de periode rond het ‘verlies’ van Nederlands-Brazilië. In de jaren 1650 en 1660 trouwden enkele tientallen Afrikaanse stellen in Amsterdam, de meesten van hen gaven als herkomst Angola of Brazilië op. Zij lieten hun kinderen meestal dopen in het huis Mozes, de rooms-katholieke schuilkerk in de Breestraat. Daarbij namen zij ook steevast zwarte getuigen mee. We kunnen voor deze periode dan ook sprekevan een kleine zwarte gemeenschap, juist in de omgeving van Rembrandts atelier. Een gemeenschap, bestaande uit zeelui en (voormalige) bedienden, waarvan de mensen qua taal, religie en cultuur, net als hun Joodse buren, sterk georiënteerd waren op het Portugese koloniale rijk. Zij leefden vaak met meerdere gezinnen in kelderwoningen, waar ook onderdak werd verschaft aan nieuwe migranten en wellicht ook weggelopen slaven. Afrikanen die de schilder vrijwel dagelijks gezien moet hebben en die soms op straat en af en toe in zijn atelier als model dienden.

Rembrandts Afrikanen

Die toename van het aantal mensen van Afrikaanse afkomst in de directe omgeving van Rembrandt zien we dan ook terug in het werk van de schilder en zijn collega’s, vaak als studiemateriaal voor Bijbelse of historische scènes. Zo staat er een zwarte vrouw als bediende van Maria afgebeeld op Rembrandts De Visitatie (1640) en op de ets De onthoofding van Johannes De doper (1640) staat een zwarte jongen als bediende van de beul.


Rembrandt (1606-1669), De visitatie, 1640, olieverf op paneel, 56.5 x 47.9 cm, Detroit Institute of Arts, Detroit, Michigan

Het bekendste voorbeeld is natuurlijk het schilderij met twee Afrikanen. Op het doek staat het jaartal 1661 vermeld, maar uit een boedelinventaris van Rembrandts atelier in 1656 blijkt dat er op dat moment al een schilderij ‘Twee mooren in een stuck van Rembrandt’ in de ‘Groote schilderskamer’ hing. Dat moet hetzelfde of een vergelijkbaar schilderij zijn geweest.

We zullen waarschijnlijk nooit precies weten wie de twee mannen zijn die op het schilderij in het Mauritshuis zijn afgebeeld. Misschien waren het de broers Manuel en Bastiaan Ferdinando van het Afrikaanse eiland São Tomé die bij de stadspoort aan het einde van de Jodenbreestraat woonden. De broers traden in april 1656 als bootgezellen samen in dienst van de Amsterdamse admiraliteit. Een jaar later trouwde Bastiaan in Amsterdam met Maria van Angola en werd hun dochtertje Lucia gedoopt in het huis Mozes. Ook Manuel bleef in Amsterdam wonen, waar hij in 1679 werd begraven.

Mark Ponte

Meer lezen?
M. Ponte, ‘Al de swarten die hier ter stede comen’ Een Afro-Atlantische gemeenschap in zeventiende-eeuws Amsterdam. TSEG/ Low Countries Journal of Social and Economic History, 15(4), pp.33–62.

‘Al de swarten die hier ter stede comen’

Deze week is mijn artikel ”Al de swarten die hier ter stede comen’ Een Afro-Atlantische gemeenschap in zeventiende-eeuws Amsterdam’ verschenen in TSEG/ Low Countries Journal of Social and Economic History. In dit artikel laat ik zien dat er in het midden van de zeventiende eeuw al een zwarte gemeenschap bestond in Amsterdam, een Afro-Atlantische gemeenschap met mensen uit de Afrika, Brazilië en het Caribisch gebied.

Op zondag 17 januari 1659 werd ‘Francycks van Angola vendrick van Brasil de man van Sesijelij Krableije [wonende] op de Breestraat in de Marcussteegh onder de Engel’ begraven op de Amsterdamse St. Anthoniesbegraafplaats. Francycks, of Fransisco d’ Angola, zoals hij in de administratie van de West-Indische Compagnie (wic) genoemd werd, had enkele jaren als vaandrig van een ‘compagnie van negros’ aan de kant van de Republiek in Nederlands-Brazilië tegen de Portugezen gevochten. Francisco was een van de Afrikanen die zich gedurende de zeventiende eeuw permanent of tijdelijk in Amsterdam vestigden. Velen van hen hadden net als Francisco een loopbaan achter de rug in dienst van de WIC.

Lees mijn artikel in TSEG/ Low Countries Journal of Social and Economic History (open access).

For a very short introduction in English, check out this Twitter thread

Jodenbreestraat hoek Markenstreeg met op de Hoek het huis met de Engel in 1818, in 1659 woonde Francisco van Angola op deze hoek. Tekening Gerrit Lamberts, Collectie K.O.G. (Beeldbank)

Rembrandt en zijn zwarte buren

Wie in 1656 in de Jodenbreestraat kwam, liep mensen tegen het lijf van over de wereld. Ze trokken de aandacht, zeker de mensen van Afrikaanse afkomst die in die buurt woonden. Het moet voor Rembrandt en zijn collega’s als Govert Flinck een inspirerende omgeving geweest zijn. Hij maakte dankbaar gebruik van deze zwarte Amsterdammers als model voor etsen, tekeningen en schilderijen.

Nu in het themanummer over Rembrandt in Ons Amsterdam.

 

Meer weten? Op 20 januari ga ik met theatermaker en curator Jörgen Tjon A Fong in gesprek over Rembrandt en zijn zwarte buren. 15 uur in het Stadsarchief Amsterdam, toegang is gratis.

 

 

Een Griekse zeeman en een Marokkaanse diplomaat

Voor Ons Amsterdam schrijf ik een serie artikelen op basis van Alle Amsterdamse Akten. Naar aanleiding van het thema ‘buitenlanders in de stad’ van de Open Monumentendag(en) 2018, schreef ik over een Griekse zeeman en een Marokkaanse diplomaat in de achttiende eeuw.

Wereldgeschiedenis van Nederland

31 augustus werd in De Balie Wereldgeschiedenis van Nederland gepresenteerd. Een nieuw ‘prikkelend’ boek, waarin ruim honderd historici een hoofdstuk hebben geschreven over de Nederlandse geschiedenis in internationaal perspectief. Een initiatief van Huijgens ING, met mooie bijdragen van enkele van mijn favoriete Nederlandse historici zoals Suze Zijlstra en Jelle van Lottum. Zelf schreef ik een een hoofdstuk over Rembrandt en de Afrikaanse gemeenschap in zijn omgeving.

Eerder dit jaar schreef Huijgens ING over het initiatief:

Wij zijn van mening dat de geschiedwetenschap een verantwoorde, goed leesbare injectie in het debat zou moeten leveren. Dat wordt de Wereldgeschiedenis van Nederland. Dit werk zal voor tal van ontwikkelingen en gebeurtenissen laten zien hoe vertakt de Nederlandse geschiedenis is met de wereld. Maar ook hoe goed Nederland vergeleken kan worden met andere landen. De Wereldgeschiedenis van Nederland geeft een verrassend internationale kijk op de geschiedenis van Nederland.

 

De ‘swarten’ van de 17de eeuw

Onlangs werd ik door Patrick Meershoek van Het Parool geïnterviewd over mijn onderzoek naar Afro-Amsterdammers in de zeventiende eeuw. Het artikel “De ‘swarten’ van de 17de eeuw’ verscheen op 12 mei in Het Parool en is online voor een paar dubbeltjes te lezen via Blendle.