Laatste berichten
Archief
| S | M | T | W | T | F | S |
|---|---|---|---|---|---|---|
| « Apr | ||||||
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | ||
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 |
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 |
| 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 |
| 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | ||
Flickr
Tags
[Recensie - Essay] De lotgevallen van een mislukte intellectueel
Vijfentwintig jaar vertedering en leedvermaak met Adriaan Mole
Mark Ponte (26 jaar en 3 weken)
September dit jaar kwam de Nederlandse vertaling van het zesde dagboek van Adriaan Mole uit: Adriaan Mole en de massavernietigingswapens. Persoonlijk leerde ik Mole kennen op mijn dertiende verjaardag, toen ik Het geheime dagboek van Adriaan Mole 13¾jaar cadeau kreeg. Sindsdien zijn we, ondanks het leeftijdsverschil van ruim twaalf jaar, samen opgegroeid. Ik heb zijn dagboeken letterlijk stuk gelezen de afgelopen dertien jaar. En steeds weer ben ik verrukt als ik een nieuw Mole-dagboek in de boekhandel zie liggen. De door Sue Townsend geschreven ‘geheime dagboeken’ zijn inmiddels al bijna vijfentwintig jaar een groot succes zowel binnen als buiten Engeland. Er werden meer dan tien miljoen van verkocht er sinds de eerste in 1982 uitkwam. Maar wat maakt die fictieve dagboeken zo aantrekkelijk?
De antireligieuze, zichzelf communist noemende, republikein Sue Townsend heeft nog verscheidene andere romans en verhalenbundels geschreven. Ze was columnist, schreef scripts voor theaterstukken en hoorspelen. Haar eerste succes had ze eind jaren zeventig, maar het waren de dagboeken van Adriaan Mole die haar in de jaren tachtig enorm populair maakte. De boeken werden bewerkt tot theaterstukken, radiohoorspelen en televisieseries.
Als kind uit een arm arbeidersgezin verlaat Townsend al op 14-jarige leeftijd school, niet alleen omdat haar ouders het niet meer nodig vonden, maar ook, zoals zij het vorig jaar in een interview met The Independent zei: ‘wanneer je eenmaal Madame Bovary en Dostojevski hebt gelezen, wil je niet meer op school blijven’. Ze trouwde op haar achttiende en was een paar jaar later alleenstaande moeder van drie kinderen. Inmiddels is ze, als gevolg van haar diabetes, al een paar jaar bijna blind en kan nauwelijks meer lopen.
Barmhartige Samaritaan
De naïeve puber Adriaan Mole, besluit op ‘dertien-en-driekwart’-jarige leeftijd een dagboek bij te houden. Al snel beseft Adriaan zich dat hij intellectueel is of dat in ieder geval wil worden. “Nu weet ik zeker dat ik een intellectueel ben. Gisteravond zag ik Malcolm Muggeridge op de tv en ik begreep zowat alles wat hij zei. Kan niet missen als je alles bij elkaar optelt: een ongelukkige jeugd, slecht eten, niet van punk houden. Ik denk dat ik maar lid word van de bibliotheek, dan zien we wel”, schrijft Adriaan aan het begin van het zijn eerste dagboek. Natuurlijk houdt Adriaan zich in de eerste delen bezig met pukkeltjes, verliefdheid, de relatie met zijn ouders en de situatie op school. Maar er spelen veel grotere problemen. Er blijft Adriaan niet veel bespaard in zijn jonge leven, zijn ouders raken al snel werkloos, plegen regelmatig overspel en krijgen onechte kinderen, veelal zonder dat Adriaan het door heeft. Zo wordt hij het kind van een alleenstaande werkloze vader.
Al in het eerste dagboek leren we een aantal personages kennen, die de rest van de serie een belangrijke rol blijven spelen. Natuurlijk zijn ouders, die steeds hun huwelijk nieuw leven proberen in te blazen. Maar ook Pandora Braithwaite ‘met stroopkleurige haren’, Adriaans grote liefde, ontmoet hij al op veertienjarige leeftijd. Pandora is in alles het tegendeel van Adriaan: een meisje dat met alles altijd succes heeft, op school, op de universiteit, op liefdesgebied en later in de politiek. Adriaan probeert haar zijn hele leven terug te krijgen. En de volgslagen hopeloze achterbuurtnozem Barry Kent. Als kind wordt Adriaan door de jongen geterroriseerd. Maar terwijl Adriaan er vanaf zijn eerste gedicht ‘De kraan’ (‘Ik heb een gedicht geschreven in maar twee minuten. Zelfs beroemde dichters doen er langer over’) van overtuigd is, dat hij eens een groot schrijver zal zijn, is het juist de eens onnozele hals Kent die een succesvol schrijver wordt, van het type Irvine Welsh. Terwijl die arme Adriaan zijn ‘experimentele’ roman Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland maar niet uitgegeven krijgt. Lees verder..
[link - literatuur] Matthijs schrijft over Dick Schouten
“”(…) een gortdroge, oersaaie vertelling over een schrijver die naar het Parijs van Badiou en Beckett trekt om zijn grote woede te botvieren op het simplistisch atheïstische en gemakzuchtige hedendaagse denken en schrijven”, schrijft Matthijs over Door het vuur van Dick Schouten op recensieweb.nl.
Lees de hele recensie “neo-naturalisme aan de Seine”.
Vanmiddag werd Schouten het vuur aan de schenen gelegd bij Knetterende Letteren.
Update (18 dec):
Matthijs reageert: “Arie Storm vond het daarentegen een briljant boek” (lees Storms Recensie in het Parool).
[canon recensie]Bint blijft goed
Bint is met zijn zesenzeventig pagina’s waarschijnlijk een van de kortste en bondigste romans uit de Nederlandse literatuur. Een onomstotelijke klassieker. De roman van Ferdinand Bordewijk staat al jaren hoog op de literatuurlijsten van middelbare scholieren. Ook ik las dit boek voor het eerst tijdens mijn middelbare school tijd. Natuurlijk, de lengte van het boek speelt hierbij een belangrijke rol, maar is het niet gewoon terecht dat dit uit 1934 stammende boek nog steeds zoveel gelezen wordt? Heeft het nog steeds waarde in deze tijd?
De Bree is de tijdelijk aangestelde leraar Nederlands op de school van Bint. Een wetenschapper, die ter ‘verstrooiing’ les gaat geven op een middelbare school. Hij komt terecht op een school waar orde en tucht tot het uiterste zijn doorgevoerd. Rector Bint stelt geen vragen, hij stelt eisen: ‘Ik eis van de kinderen een stalen tucht.’ Die tucht is, volgens Bint, noodzakelijk om ‘reuzen’ van zijn leerlingen te ‘kweken’, geen wetenschappelijke, maar maatschappelijke reuzen. Bint heeft daarbij geen boodschap aan de psyche van zijn leerlingen. De leerling onderwerpt zijn wil, om zijn wil te ontdekken. Ieder woord dat een leraar uitspreekt moet een bevel te zijn. Hij eist ‘van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt’, integendeel de leerling dient zich in te leven in de leraar, opdat hij ‘stijgt’. In de loop van de roman neemt de Bree steeds meer de ‘pedagogische’ opvattingen van zijn rector over. Van een welwillende medewerker, wordt hij langzamerhand een gelovige navolger.
De Bree ziet zijn klassen als organismen, als ‘wezens’, en als een klas dat nog niet is dan moet zij het worden: “Een klas was een wezen. De leraren waren een wezen. Dan was de school een wezen. Zo deze.” Hij geeft zijn klassen dan ook bijnamen: de hel, de bruinen, de bloemen en de grauwen. De hel is het belangrijkste wezen op de school. Een klas waar de leerlingen wonderlijke achternamen hebben als Whipysinger, Punselie en Bolmikolke. Deze klas is de trots van Bint en de uitdaging van De Bree. De hel heeft De Bree’s voorganger weggepest, en hij is vast van plan zich dit niet ook te laten gebeuren. Hij verklaart de oorlog en voert vanaf de eerste dag de stalen tucht in deze klas in.
Bints regime stuit bij de gemeente en leerlingen op weestand, maar pas nadat een van de leerlingen in de kerstvakantie zelfmoord pleegt barst de bom. Er volgt na de vakantie een korte gewelddadige opstand. De van te voren door Bint geïnstrueerde hel drukt dit oproer binnen enkele minuten eendrachtig de kop in. Niet alleen accepteert de hel zonder morren het bestaande systeem, de hel blijkt bereid het systeem met geweld te bewaken. Ook De Bree raakt steeds meer in de ban van het systeem.
Nog eenmaal wordt zijn gezag door de hel betwist. Als De Bree besluit om een niet door Bint ingeplande rustdag in te lassen, gaan twee leerlingen uit de hel er op eigen houtje vandoor. De klas straft dit af. De Bree ziet nu echt het bijzondere van Bints creatie: ‘Ze stond achter de leraar, ze stond er voor, ze nam het voor hem op, ze name hem het werk uit handen’. Vanaf dan is de hel ‘bij De Bree een paradijs’. Ook in zijn andere klassen zal hij niet meer ‘dalen’ en voert hij de stalen tucht in. De Bree is overtuigd.
Alleen al om de stijl zou je dit boek gelezen moeten hebben. Die stijl is ongekend mooi, korte krachtige zinnen, soms bestaand uit slechts een enkel woord. De opening van de roman bijvoorbeeld, misschien wel de mooiste die ik ooit las: “De Bree zijn denken was hoekig en nors. De lucht lag laag morsig roetig. Novemberochtend.” Zonder uitgebreide beschrijvingen, geeft Bordewijk ons prachtige sfeer- en situatieschetsen. Zeer poëtisch ook: ‘een schepsel was daar, zwart, doodsbleek, dat toefde, keek’. Beknopt taalgebruik zonder opsmuk, maar toch vol beeldspraak en metaforen. Een uitzonderlijke eenheid van vorm en inhoud: “De Bree ging alleen naar huis. Er lag een vracht sneeuw. De maan, even aangeknaagd, verblindde. Het was roerloos. De lucht was koel tot in het diepst van zijn longen. Hij was licht van lucht.”
Natuurlijk is Bint ook historisch gezien een interessant boek, een parabel van de extreme politieke krachten die in de jaren dertig in Europa actief waren: Italië was fascistisch, Hitler was aan de macht in Duitsland, in Rusland had het communistische regime zich stevig genesteld. Een vergelijking met George Orwell’s Animal farm uit 1945 is best op zijn plaats. Waar Animal farm een waarschuwing was voor (de uitwassen van) het communisme, laat Bint, op nog veel meeslependere wijze, zowel de aantrekkingskracht als de gevaren van het fascisme zien.
Maar die inhoud van Bint is niet alleen historisch interessant. Het blijft het een afschrikwekkend voorbeeld van een (school)systeem dat je ieder kind wilt besparen. Het leverde een haast spreekwoordelijke bijnaam voor strenge leraren op. Zo was er een aantal jaren geleden een televisie-uitzending met de titel Bint in België, over Nederlandse kinderen die ‘getuchtigd’ werden op een Belgisch internaat. Maar ook in eigen land zijn de ideeën van Bint en De Bree niet zo ver te zoeken, als je in eerste instantie zou denken. Nog maar kort geleden pleitte de Lijst Pim Fortuyn voor herinvoering van de tuchthuizen en het instellen van opvoedingskampen voor ontspoorde jongeren. Tucht en discipline zou wel goede burgers van deze kinderen maken. En wat te denken van het strenge regime van de uit de Verenigde Staten overgewaaide Glenn Mills-scholen?
Niet alleen de tucht, orde en discipline van Bint is haast spreekwoordelijk geworden. Ook de reeks “uitzinnige Bordewijk-namen” van de ‘duivels’ uit de hel kom je steeds opnieuw tegen, zo schreef Jan Blokker vorig jaar over de nieuwe bestuursleden van de LPF: ‘Fabius. Moleveld. Nawijn. Pieterman. Swarte. Als je de namen zo achtermekaar opschrijft, zouden het leerlingen geweest kunnen zijn van De Hel’.
De blijvende invloed op de Nederlandse cultuur, de vorm en de inhoud, maakt dat ik hoop dat middelbare scholieren tot in de lengte der dagen dit boek op hun literatuurlijst blijven zetten.
Bint
Door: F. Bordewijk
Oorspronkelijke uitgave: 1934
Gelezen uitgave: Wolters-Noordhoff, 1998, 76 p.
Deze recensie van een ‘klassieker’ heb ik in oktober geschreven voor de practicum-werkgroep ‘Journalistieke kritiek’ (onderdeel van de Minor Journalistieke kritiek aan de Universiteit van Amsterdam).
[recensie] Teleurstellende expeditie van de Gerrit de Veer

Het probleem met veel historische romans is dat ze het niveau van een leuk verhaal niet overstijgen. Natuurlijk, er zijn heel veel uitzonderingen op deze opvatting te bedenken. Romans die het historische detaillisme overstijgen, en literatuur worden. Maar dat lukt Geert van der Kolk met Noordtij niet.
Lees ook de vergelijking tussen nieuwe romans van Magnus Mills en Geert van der Kolk
[essay] Literaire ontdekkingsreizen
Ontdekkingsreizen spreken tot de verbeelding. Of het nou gaat om het reisverslag van een bekende ontdekkingsreiziger als Marco Polo, de ontdekkingsreizen in de boeken van Jules Verne of om een moderne sciencefiction verhaal waarin de mens het heelal onderzoekt. De zoektocht naar het onbekende blijft fascinerend, ze houdt al eeuwenlang mensen geboeid. Oude reisverhalen worden steeds heruitgegeven en er komen nog regelmatig nieuwe verhalen bij.
Zo zijn er onlangs twee nieuwe romans verschenen over zulke verkenningen van onbekende gebieden: De historische roman Noordtij, het negende boek van Geert van der Kolk, dat handelt over een negentiende-eeuwse expeditie van Nederlandse wetenschappers naar het Noordpoolgebied Ellesmere. En de uit het Engels vertaalde De verkenners van de nieuwe eeuw, de vierde roman van de succesvolle schrijver Magnus Mills, waarin twee rivaliserende teams van ‘verkenners’ het tegen elkaar opnemen in een tocht naar het ‘Verste Punt van de Beschaving’. Twee totaal verschillende boeken, in die lange traditie van de ontdekkingsreizen.
Noordtij speelt zich af rond en binnen de poolcirkel, het is de beschrijving van een door het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap uitgezonden wetenschappelijke expeditie in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Het doel van de expeditie is volkomen duidelijk: het in kaart brengen en onderzoeken van Ellesmere, een gebied tussen Groenland en de Noordpool. Een expeditie die van begin af aan bedreigd wordt door het klimaat, de grillige natuur en natuurlijk de menselijke tekortkomingen. Voeg daar de spanningen tussen bemanningsleden, onenigheden over het doel van de reis en wat verkeerde beslissingen aan toe en het kan haast niet anders dan dat deze expeditie gedoemd is te mislukken.
Van der Kolk, die het boek schreef nadat hij zelf een zeilreis naar Groenland maakte, heeft alles tot op de puntjes uitgewerkt, de rangen en standen zijn bekend, ze staan zelfs op een lijstje voor de roman begint. Er is een mooi kaartje voorin het boek opgenomen van de poolstreek. De uitrusting, de werking van het schip en de wetenschappelijke apparatuur worden nauwkeurig beschreven. Op zich interessant voor de historisch geïnteresseerde lezer, maar het heeft ook zijn nadelen. Zo word je in Noordtij ‘getrakteerd’ op een hoop nutteloze omschrijvingen en toevoegingen, zoals bijvoorbeeld bij de eerste ontmoeting met een eskimo:
‘Hij kende veel Engelse woorden, maar in zijn eigen taal was, net als in het Latijn, de volgorde van woorden niet van overheersend belang. En net als in het Latijn en de Slavische talen gebruikte hij geen lidwoorden.’
Hier zit de lezer niet op te wachten. Het uitkauwen van informatie, twee keer vlak achter elkaar ‘net als in het Latijn’ lezen. Even later komt er een hele groep eskimovrouwen op het schip: ‘De vrouwen heetten Qidiek, Saarak, Amaaqtoeq, Niqi, Kannajoek, Amaqoeq, Loetaaq, Pilitaq, Palloeq en Aqatsaq.’ De namen van de leerlingen uit de hel van Bint zijn er niets bij. Maar waarom zou je een heel stel namen geven van mensen die verder geen enkele rol spelen in de roman? Misschien is het politiek correcter om niet te spreken van tien eskimo’s, maar al deze mensen een naam te geven. Helaas halen dit soort niet erg relevante uitwijdingen en opsommingen de vaart uit het verhaal en geven ze het gevoel dat de roman ook met honderd bladzijden minder had gekund. En dat is jammer.
Het probleem met veel historische romans in het algemeen is dat ze het niveau van een leuk verhaal niet overstijgen. Gelukkig zijn er heel veel uitzonderingen op deze opvatting te bedenken. Romans die het historische detaillisme overstijgen, en literatuur worden. Dit lukt Geert van der Kolk met Noordtij jammer genoeg niet. Hoewel een gezonde nieuwsgierigheid naar de afloop van het ‘avontuur’ ervoor zorgt dat je het boek toch wilt uitlezen, blijft er de hele tijd iets missen. Misschien is het de ‘belofte’ op de achterflap dat Noordtij ‘een groots en spannend avontuur’ is met een ‘schokkende ontknoping’. En de belevenissen zijn best spannend, al zit je nergens echt op het puntje van je stoel. Daarvoor is het allemaal te voorspelbaar: invriezing, scheurbuik, ijsberen, dubbele agenda’s, de dood, muiterij en kannibalisme. Allemaal verschrikkelijke toestanden natuurlijk, maar niet erg origineel. En de ontknoping is al evenmin origineel en of schokkend, het geeft vooral een gevoel van teleurstelling achteraf.
Het had veel gescheeld als hij nog wat meer variatie in stijl had aangebracht. Op zich is namelijk de wisseling van het vertelperspectief tussen de brieven van arts Charles Odé aan zijn vriend en de hoofdstukken waarbij een externe verteller optreed wel leuk. Door die brieven krijg je inzage in het gevoelsleven van één van de expeditieleden. Zulke persoonlijke observaties maken een verhaal sterker, zeker als je te maken hebt met veel personages die allemaal in een voor hun onbekende omgeving zitten en veel ellende te verwerken krijgen. Wat mij betreft had hij ook de anderen brieven mogen laten schrijven, of had Van der Kolk desnoods een logboek als derde perspectief toe mogen voegen. Zodat we inzage hadden gekregen in de psyche van deze negentiende-eeuwse ontdekkingsreizigers.
In tegenstelling tot Noordtij heeft De verkenners geen vast omschreven plaats of tijd en ook het doel van de expeditie blijft lange tijd mysterieus.. We maken kennis met twee rivaliserende teams. Het team van Tostig, waar alle expeditieleden ‘Scandinavisch aandoende’ namen hebben, en dat van Johns, waar ze Engelse namen dragen. Ook hier wijzen de omstandigheden op een poolgebied. Er is sprake van grote koude en er is maar enkele uren per dag licht. De teams van Tostig en Johns proberen beiden, via verschillende routes, zo snel mogelijk op het ‘Overeengekomen Verste Punt van de Beschaving’ te komen.
De tijd waarin het verhaal plaats vindt is al even onbekend. Aan de ene kant suggereert een expeditie van de mens met muilezels, dat de reis plaatsvindt in een ver verleden, in ieder geval voor de gemotoriseerde voertuigen. Aan de andere kant hebben de mensen in De verkenners meer iets van een soort ‘post’-mensen in een tijd ver na de onze, zoals de Franse schrijver Michel Houellebecq die beschrijft. Zeker omdat, naarmate het verhaal vordert, steeds meer de vraag is, wat voor wezens die muilezels eigenlijk zijn. Waarom zou je muilezels, die immers onvruchtbaar zijn, bijvoorbeeld perse in ‘paartjes’ mee moeten meenemen? Zijn het wel de ‘gewone’ muilezels die in de ‘nieuwe eeuw’ als minderwaardig worden gezien?
Pas halverwege het boek als expeditielid Summerfield, uit het team van Johns, ‘De theorie van transport’ van professor F.E. Childish (die als wetenschappelijke opvolger Younghusband heeft!) leest, wordt het doel van de reis duidelijker:
‘We zijn bijna geciviliseerd. We leven onze levens in veilige omstandigheden en in welvaart. We hebben honger en ziektes overwonnen. Er is sprake van een bloeiende bedrijvigheid. We voeren geen oorlog meer en hebben derhalve geen leger nodig. (…) Het leidt geen twijfel dat de wereld is verbeterd. Toch blijft er een aanhoudend probleem, namelijk de kwestie van de muilezels. Sinds mensenheugenis zijn ze een onontkoombare last geweest (…), maar nu is er eindelijk licht aan het eind van de tunnel.’
Die muilezels zijn dus een last voor de menselijke beschaving geworden, en daar moet een oplossing voor worden bedacht. En die oplossing is transport, deportatie eigenlijk, naar het ‘Verste Punt van de Beschaving’. Een onbekend gebied, dat eerst onderzocht moet worden om te kijken of de ‘theoretische’ geschiktheid als vestigingsgebied voor die ezels in werkelijkheid bewoonbaar kan worden. Een theorie wordt getest op zijn waarheid.
Een heel wonderlijk verhaal dus eigenlijk, fabel, reisverhaal en sciencefiction tegelijkertijd. Humoristisch, niet zozeer door de stijl, maar vooral door de inhoud. Een boek waar je regelmatig om moet grinniken: Professoren die Childish en Younghusband heten, de deportatie van ezels (‘Transport?’ zei Sargant, ‘O je bedoelt “Jaag ze bijeen en voer ze af.”’). Een beetje absurdistisch en continu interessant, spannend en onvoorspelbaar.
En dat is eigenlijk het belangrijkste verschil tussen deze twee boeken. Aan de ene kant het brave en voorspelbare verhaal van Van der Kolk, die eigenlijk alles doet wat mij bij historische romans vaak ergert. Je wordt zoet gehouden met een overvloed aan informatie en gebeurtenissen, maar wordt nergens verast of uitgedaagd tot interpretatie. Niet meer dan ‘een leuk verhaal’ dus. Terwijl De Verkenners van de nieuwe eeuw je voortdurend aan het denken houdt, wat zijn ze aan het doen en waarom? En nogmaals, wat voor wezens zijn die ‘muilezels’ toch? Vragen waarop de antwoorden slechts ten dele gegeven, soms hooguit gesuggereerd, worden. Gebeurtenissen die verbazing opwekken en bovendien veel ruimte voor interpretatie overlaten. Boeiend, grappig en serieus tegelijkertijd. Een boek dat je gelezen wil hebben, het is iets nieuws. Een boek waar je nog lang over na kan blijven denken. Literatuur dus. Terwijl Noordtij toch vooral een onbevredigend gevoel achter laat. Een boek dat al snel op de grote hoop van gelezen boeken terecht komt. Best aardig, maar niet veel beter of interessanter dan, ik noem maar iets, de jeugdboeken van Thea Beckman.
Mark Ponte
[Lees ook De eerste brief uit Brazilië, 18 januari 2006 - Over de ontdekking van Brazilië.]
Noordtij
Door: Geert van der Kolk
Nieuw Amsterdam, 304 p.
De verkenners van de nieuwe eeuw
Door: Magnus Mills
Uit het Engels vertaalt door Michèle Bernard
Uitgeverij Podium, 188 p.
Dit essay heb ik geschreven voor het Project Werkcollege Journalistieke kritiek, op 1 december 2005
