Helmcasuaris (afb. 1), meegebracht naar de Republiek door VOC-schipper Willem Jacobsz uit Azië en cadeau gedaan aan prins Maurits voor zijn menagerie in Rijswijk, 14 augustus 1614. Op de achtergrond een grijze kroonkraanvogel en een bukkende casuaris.
Dit was niet de eerste casuaris in Nederland. In 1596 werd een causaris meegenomen naar Amsterdam, waar hij maandenlang voor geld vertoond werd. Deze vogel (afb.2) zou via diverse hoven uiteindelijk in de menagerie van Keizer Rudolf II in Praag terecht komen.
Op 12 augustus 1690 verschijnen de 50-jarige Johannes Elsias van ‘Persien’ en de twintig jaar jongere Dorothea Harmans van Norden (Nedersaksen) bij de commissarissen van huwelijkse zaken in het stadhuis van Amsterdam om hun huwelijk aan te kondigen. Elsias is koffieverkoper in de Jodenbreestraat. Naast de inschrijving staat een opmerkelijke aantekening, die ik niet eerder ben tegen gekomen. Zijn getuige Martin Gregori verklaart voor de ‘Heren Commissarissen’ zo staat er geschreven, ‘dat de bruijdegom een christen was en is’, waarna de inschrijving van het huwelijk kon doorgaan.
Perzische kooplieden waren de eerste koffieverkopers in de stad Amsterdam. In 1673 werd er een boedelinventaris van een Perzisch koffietentje in de Jodenbreestraat opgemaakt. Mogelijk had Johannes Elsias die zaak overgenomen. Zijn getuige Martin Gregori (1666-1720) is geboren in Amsterdam als zoon van een Perzische vader en Antwerpse moeder.
De ondertrouwregisters vormen de belangrijkste bron voor vroegmoderne diversiteit in de stad Amsterdam. In de ondertrouwregisters vind je alle groepen terug in de stad Vlamingen, Portugese Joden, Scandinaviërs, en ook de Zwarte gemeenschap. Tot 1656 ging met in ondertrouw in de Oude Kerk Amsterdam, daarna gebeurde dat op het nieuwe stadhuis op de Dam.
Op 4 augustus 1607 ging de 60-jarige Juan Dias uit Granada in Amsterdam in ondertrouw met Lijsbeth Heijnrixdr, een weduwe uit Stade in Nedersaksen. Het stel woonde in de Geelvinksteeg in Amsterdam. Opvallend detail: Juan Dias was gelost (vrijgemaakt) uit de Spaanse galeien. Een voormalige galeislaaf uit Granada dus.
Mogelijk was Dias een Morisco, wellicht eerder dat jaar vrijgemaakt bij de Slag bij Gibraltar of bij een van de andere slagen tussen de Republiek en Spanje.
Het huwelijk werd voltrokken in Middelburg.
De ondertrouwregisters vormen de belangrijkste bron voor vroegmoderne diversiteit in de stad Amsterdam. In de ondertrouwregisters vind je alle groepen terug in de stad Vlamingen, Portugese Joden, Scandinaviërs, en ook de Zwarte gemeenschap. Tot 1656 ging met in ondertrouw in de Oude Kerk Amsterdam, daarna gebeurde dat op het nieuwe stadhuis op de Dam.
19 juli 1622 klopt notaris Laurens Lamberti aan bij de Portugese Amsterdammer Symon Franco. Franco woont in het tweede huis van de Turfsteeg in Amsterdam (links gemarkeerd op de kaart). Notaris Lamberti is daar op verzoek van de pachters van de impost (belasting) op de kaarsen in de stad. In het zijkamertje van de woning aan de Turfsteeg liggen namelijk vierentwintig witte waskaarsen. De notaris wil weten van wie de kaarsen zijn en wie ze gemaakt heeft. Franco spreekt geen Nederlands. Gelukkig woont er een dienstmeisje in het huis dat zowel Nederlands als Portugees spreekt. Franco legt uit – via zijn tolk/dienstmeisje – dat hij de kaarsen heeft gemaakt, in opdracht van zijn kerk (de synagoge, rechts op de kaart).
Around 1631, Rembrandt van Rijn moved in with the art dealer Hendrick Uylenburg, on the corner of Zwanenburgwal and Jodenbreestraat in Amsterdam. In 1639, Rembrandt bought the large house next door – now the Rembrandt House. At the time the neighbourhood was the centre of the Amsterdam art market; the painters Pieter Lastman, Nicolaes Eliasz. Pickenoy, Pieter Codde and Cornelis van der Voort had their workshops nearby. The Jodenbreestraat – already very multicultural at the time – was also a centre of the tobacco trade. Several mainly Portuguese tobacco traders lived in the neighbourhood, importing the addictive leaves from North and South America. In the little streets of Vlooienburg several small tobacco factories could be found where the leaves were ‘spun’ into useful pipe tobacco. Many poor migrants, men and women, found work here. Rembrandt himself would earn an extra penny by renting out his cellar as a tobacco warehouse.
A well-known merchant in tobacco and other colonial goods, such as sugar and indigo, was Daniel Pinto (Lisbon, c. 1611 – Amsterdam 1681), who had been active in Amsterdam since the 1630s. In 1645, he bought the house on the corner of Jodenbreestraat, where Uylenburgh’s art dealership had been located before, for 9000 guilders. This was also the studio where Rembrandt worked between 1631 and 1635 and where he must have painted Marten and Oopjen. In 1638, Uylenburgh had moved and sold the building and his studio to Nicolaes Pickenoy. A year later, Rembrandt bought the house next door, Jodenbreestraat 4.
Daniel Pinto moved into the corner house with his young family, his daughter Sara was a girl of two or three, his son Moses was to be born there. Pinto used the cellar to store tobacco, and for that purpose he also rented part of the cellar from the famous painter. The other part of Rembrandt’s cellar was rented by the brothers Jacob and Samuel Pereira, who lived across the street.
Various notarial deeds about these two tobacco cellars have been preserved. Despite the lease, Rembrandt was apparently not on too good a terms with his Portuguese Jewish neighbour. In the 1930s, the legendary A.M. Vas Dias unearthed a payment dispute between the burnt protocols of notary Benedict Baddel (1594-1658). The shared wall between the houses of Rembrandt and Pinto needed to be raised, and Rembrandt was not in the mood to help pay. Moreover, the ‘rumbling’ of the noisy work must have disturbed the peace in the studios of the Rembrandt House for months.
Historian Bas Dudok van Heel described a series of deeds from February 1654, in which several rolls of tobacco were reported stolen from Rembrandt’s cellar by Eleaser alias ‘Lenart’ Swaeb and Hartog Abrahams, assisted by Eleaser’s wife Judick Salomons. With the help of a false key they had gained access to the cellars from the Zwanenburgwal. They are said to have stolen some sixty rolls of tobacco in a month and a half.
Deux orientaux debout, l’un de face, l’autre de profil à gauche Rembrandt, Harmensz. van Rijn, Louvre
Persians and Portuguese
On Friday 2 July 1655 at 11 a.m. three or four ‘Persians’ (Armenian merchants) entered the cellar on the corner of Jodenbreestraat to buy tobacco. Daniel de Chavis from Livorno was working in Pinto’s cellar at the time. The four Armenians asked De Chavis to go to another warehouse to see if he could find what they were looking for. The Chavis has no time for this, or does not feel like it. There are words. The Persians call De Chavis outside, where he is seized by the throat, according to the two witnesses Abraham de Bruin and Christoffel Dias, who at De Chavis’ request make a statement a few days later before the notary Adriaan Lock. If Isaac and Abraham Cotinho had not ‘come to his aid and delivered him from the hands of the said Persians, they would have treated him very badly’.
After De Chavis had been rescued and had re-entered De Pinto’s cellar, De Bruin and Dias saw that the Persians ‘returned to the aforementioned cellar three times in succession to attack [De Chavis]’. The two witnesses, who apparently were also inside, had slammed the door, after which ’the Parsians violently attacked the door of the cellar’.
At least, that was the story of Daniel de Chavis and his witnesses, but in the meantime it was not the ‘Persians’, but De Chavis himself who was arrested for the violence in the street and put in irons under the town hall. On 9 July, after interrogating ‘Daniel de Chavis, 21 years old, an Italian Jew’, the sheriff wrote that he confessed ’to have been in league with the Persians, whereas he denies having shat him with a knife in his face or hit him with clubs’. Only for the first case was he sentenced to ‘2 months’ rasping’ or a fine of 100 guilders. Apparently, the pulling of knives was not considered proven.
Beschrijving van de aflevering door de NTR: “Het imago van Amsterdam is voor een groot deel te danken aan de zeventiende eeuw. De grachten, de kunst, de welvaart, mede mogelijk gemaakt door de komst van duizenden migranten uit Europa en ver daarbuiten. Amsterdam biedt vele kansen voor nieuwkomers maar lang niet iedereen deelt in deze succes story. De verschillen tussen rijk en arm blijven gigantisch groot.”
#Amsterdam is celebrating its 750th anniversary this year. As I did previously on twitter, this #blackhistorymonth I will post a story from Amsterdam’s rich Black history every day. #skyhistorians #blackhistorymonth2025 #amsterdam750
Ook ik ben – na 17,5 jaar – verhuisd van Twitter naar Bluesky. Mijn historische archiefsprokkelingen vind je nu daar, op Insta en op deze en andere sites.
OTD #1632 Spinoza was born in #Amsterdam – Bento/Baruch studied at Ets Haim. After the ban, his name was scratched out in the books of Ets Haim, but is still recognizable: "Baruch Espinosa f[ilh]o de Michael Espinosa"; 2nd image: #Spinoza signs a notarial deed for himself and his brother, 1655.
Het was 21 of 22 maart 1689, bij de Sint Antoniessluis, een drukke plek in de stad want de verbinding tussen de Sint Antoniesbreestraat en de Jodenbreestraat. De uitdrager Jacob Paulussen had even daarvoor een ‘Oost-Indische kist’ vol porselein van de Sint Anthoniesmarkt (Nieuwmarkt) opgehaald en was net bezig het kostbare, door de VOC aangevoerde servies van zijn slee af te laden, toen Stijntje Seegers met grote snelheid over de sluis aan kwam racen in haar sjees – recht op de kist af.
4 oktober verschenen ‘Ons Amsterdam 750 jaar. Een bijzondere stadsgeschiedenis’, een keuze uit 75 jaar Ons Amsterdam. Met bijdragen van mijn hand uit de vaste rubriek ‘Akten’ over Portugese, Angolese, Indonesische, Armeense, Marokkaanse Afro-Amerikaanse en andere Amsterdammers en bezoekers van de stad Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw. Uiteraard grotendeels gebaseerd op de geweldige Notariële Archieven in het Stadsarchief.
Redactie en samenstelling: Janna Toepoel Jitske Hell Koen Kleijn; uitgegeven door Walburg Pers