De Portugees-Joodse schilder Abraham Mendes (ca. 1613-1684)

In de verbrande protocollen van notaris Benedict Baddel (1594-1658) kwam AAA-vrijwilliger Freek van Eeden afgelopen december een machtiging uit 1639 tegen van de onbekende schilder Abraham Mendes. In de notariële akte machtigde Mendes Manuel Nunes in een gerechtelijke procedure bij de Commissarissen van Kleine Zaken in Amsterdam. Wie was deze schilder van Portugees-Joodse afkomst?

Er zijn niet veel Joodse schilders uit het Amsterdam van de zeventiende eeuw bekend. De bekendste is Samuel d’Orta die een etsplaat met daarop Abrahams verstoting van Hagar en Ishmael kocht van Rembrandt. D’Orta kocht de plaat op voorwaarde dat Rembrandt zelf geen afdrukken meer van zou verkopen, kennelijk vertrouwde hij Rembrandt niet en liet er op 17 december 1637 een notariële verklaring over opstellen. Net als de machtiging van Abraham Mendes gebeurde dit bij notaris Benedict Baddel. De uit Geneve afkomstige Baddel had, waarschijnlijk vanwege zijn talenkennis, veel Portugees-Joodse klanten. Doordat de akten van Baddel ernstig beschadigd zijn bij de stadhuisbrand in 1762, is er tot nu toe minder onderzoek in deze akten gedaan dan veel andere notarissen uit de zeventiende eeuw. In 1639 klopte dus ook schilder Abraham Mendes bij deze notaris aan.

Lees verder op Alle Amsterdamse Akten

Johanna van Mallacka

Op 17 december 1716 werd tijdens de vergadering van de Kerkenraad Johanna ‘binnen gestaan’ met het verzoek om ‘nopens haar goet gedragh’ te mogen worden gedoopt. Johanna was, zo schrijft de notulist, ‘een Indiaansche doghter van Mallaca eertijds genaamt Grasia’.

Kerkenraadsnotulen Hervormde Kerk, 17 december 1716

Nadat zij werd ondervraagd over het geloof werd haar verzoek toegestaan en enkele dagen later, op 23 december, werd zij in de Nieuwe kerk gedoopt.

Image
Doopinschrijving in de Nieuwe Kerk

De slaafgemaakte Grasia was door Anton Bitter en Appolonia Coisaart meebracht naar de Republiek, zoon en schoondochter van de door Leonard Blussé beroemd geworden jurist Joan Bitter. Of Johanna na haar doop als dienstbode bij de familie Bitter in huis bleef, een eigen leven in Amsterdam heeft opgebouwd of is teruggekeerd naar Azië is nog niet bekend.

Winter in the 17th Century

Life was tough in seventeenth century Amsterdam. The winters were very cold. This extraordinary painting by Jan de Bray (1662) makes you think about what it was like for migrants from warmer areas like Angola, Sao Tome or Pernambuco to live in the cities of the Dutch Republic?

“Zwarte jongen warmt zijn handen aan kooltjes”, Jan de Braij, 1662

Jan de Bray (1626/1627-1697) lived and worked in Haarlem. The painting is in the collection ‘Groot Constantia Homestead’ in Cape Town.

Maria Gay

Zuiderkerk, Amsterdam, 1663

Probably the most poignant example of how harsh the conditions were in Amsterdam, is that of the 18 year old black woman Maria Gay who was baptized in the Dutch Reformed Zuiderkerk in the 1650’s. After her feet were frozen, her legs had to be amputated in the hospital in Amsterdam. Maria Gay ‘with wooden legs’ lived in Amsterdam until the late 1670’s

Swarte Klaas

Swarte Klaas, circa 1770 (Collection Stadsarchief)

Maria Gay’s story also reminds us of the images of the famous Amsterdam street figure ‘Swarte Klaas’. A black man without legs, who lived in Amsterdam in the second half of the eighteenth century. Maybe a former sailor, like Joseph Johnson in London in the early nineteenth century.

Swarte Klaas in front of the CIty Theater of Amsterdam, 1775 (Collection Stadsarchief)

Tussen slavernij en vrijheid in Amsterdam

Dit artikel is verschenen in : Pepijn Brandom e.a., De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek (Spectrum; Amsterdam 2020) 248-256.

In 1656 legde de Portugese suikerhandelaar Eliau de Burgos een verklaring af bij een Amsterdamse notaris over de weggelopen zwarte vrouw genaamd Juliana, die hij in slavernij had meegenomen uit Brazilië. Burgos was van plan te vertrekken naar de plantagekolonie Barbados en wilde Juliana meenemen als bediende. Bij de notaris vertelde De Burgos dat hij haar in 1643 als meisje had gekocht voor 525 gulden, en hij haar in Brazilië makkelijk voor een vergelijkbaar bedrag had kunnen verkopen, maar dat Juliana hem gesmeekt zou hebben mee te mogen naar de Republiek.

Of dat laatste waar is kunnen we betwijfelen, maar duidelijk is dat zij eenmaal in de Republiek niet van plan was om opnieuw naar een plantagekolonie te vertrekken. Integendeel, Juliana was inmiddels door Amsterdammers op de hoogte gebracht van de wetgeving in Amsterdam die stelde dat er in de stad geen slavernij bestond, waarop zij besloot hiernaar te handelen en weg te lopen.

Terwijl de Amsterdammers de wereld over trokken, kwam de wereld naar Amsterdam. Vanaf het moment dat de Amsterdammers rond 1600 hun vleugels uitsloegen naar Afrika, Azië en Amerika kwamen mensen uit deze gebieden naar Amsterdam. Een deel van deze mensen had een achtergrond in slavernij, maar anderen kwamen als diplomaten, ambachtslui en zeelieden. In dit essay zal ik aan de hand van concrete voorbeelden de ontwikkeling van Atlantische en Aziatische migratie naar Amsterdam gedurende de zeventiende en achttiende eeuw schetsen. De nadruk daarbij ligt op de vraag of slavernij was toegestaan in Amsterdam.

Vrije en slaafgemaakte zwarte Amsterdammers in de zeventiende eeuw

Wanneer de eerste Afrikaan of Aziaat zich in Amsterdam vestigde is natuurlijk moeilijk vast te stellen. Maar de gedocumenteerde aanwezigheid van zwarte Amsterdammers gaat terug tot de jaren 1590. In januari 1593 trouwde Bastiaen Pietersz van ‘Maniconge in Afryken’ – een rijk dat het huidige Congo en Angola omvat – met de Amsterdamse weduwe Trijn Pieters in de Oude Kerk. Pietersz was een verversgezel en werkte dus in de lakenindustrie. Vrijwel zeker was hij een vrije man. In 1594 werd hun dochter Madelen gedoopt in de Nieuwe Kerk op de Dam, misschien wel het eerste Afro-Europese meisje dat geboren werd in Amsterdam. Dit voorbeeld laat zien dat de Afrikaanse aanwezigheid in Amsterdam verder teruggaat dan de eerste gedocumenteerde Amsterdamse slavenhandels reis, namelijk die van het schip Fortuijn dat in 1596 vertrok.

‘De visitatie‘, 1640 door Rembrandt van Rijn, Detroit Institute of Arts

Tegelijkertijd kwamen vanaf het begin van de zeventiende eeuw mensen in slavernij in Amsterdam terecht. De eerste slaafgemaakten kwamen waarschijnlijk mee met Sefardische migranten uit Spanje en Portugal Slavernij was een veelvoorkomend verschijnsel op het Iberisch schiereiland. Zo was in Lissabon rond 1600 ten minste tien procent van de bevolking van Afrikaanse afkomst. Sommige Sefardische families namen slaafgemaakte bedienden mee naar Amsterdam. Op de Portugese begraafplaats Beth Haim werd een aparte plek aangewezen als begraafplaats voor escravos (slaven), criados (bedienden) en moças (dienstmeisjes) die wel joods, maar niet Portugees waren. In de zeventiende-eeuwse begraafboeken zijn verschillende mensen van Afrikaanse afkomst te vinden die op deze aparte plek werden begraven. De term ‘slaaf ’ werd slechts tweemaal genoteerd: ‘Op 28 [september 1617] werd een slavin van Abraham Aboaf begraven, achter de slavin van David Netto’, later spreekt men van negros of mulatos. Andere joden van kleur werden op een reguliere plek op de begraafplaats begraven, zoals de ‘mulatte vrouw van de mulat Trombeta’ in 1620, en in 1629 de inmiddels beroemde Elieser, de zwarte bediende van Paulo de Pina. Die laatste kwam naast een slavenhandelaar te liggen.

Wetgeving over slavernij in Amsterdam

Met de komst van bedienden in slavernij werd de kwestie van slavernij in Amsterdam actueel. Formeel was slavernij al sinds de middeleeuwen niet toegestaan in de stad. In de boeken met ‘Keuren en Costumen’ van Amsterdam is vanaf 1644 een bepaling over slavernij opgenomen. Deze Amsterdamse bepaling was een letterlijke kopie van een Antwerpse die teruggaat tot in de zestiende eeuw. ‘Van den Staet ende conditie van persoonen’ de bepaling opgenomen dat: ‘Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven.’ Een duidelijke bepaling waarin werd aangegeven dat de stad officieel geen slavernij erkende en dat ieder mens in Amsterdam als vrij persoon gezien moest worden. Het tweede artikel bepaalde hoe men die vrijheid kon opeisen: ‘Item alle slaven, die binnen deser Stede ende haere vryheyt komen ofte gebracht worden; zijn vrij ende buyten de macht ende authoriteyt van haer Meesters, ende Vrouwen; ende by soo verre haere Meesters ende Vrouwen de selve als slaven wilden houden, ende tegens haeren danck doen dienen, vermogen de selve persoonen haere voorsz. Meester ende Vrouwen voor den Gerechte deser Stede te doen dagen, ende hen aldaer rechtelyck vry te doen verklaren.’4 Het was dus mogelijk om de vrijheid te verkrijgen, maar dat vroeg wel wat van degene die in slavernij gehouden werd. Ten eerste moest je op de hoogte zijn van de wetgeving. Ten tweede moest je de (fysieke) mogelijkheid hebben om degene die jou als slaaf hield voor het gerecht te dagen. Ten derde moest je een plek hebben om naartoe te gaan nadat je bevrijd zou zijn. Hierdoor kon slavernij in de praktijk wel degelijk voorkomen.

Juist in deze periode kwamen steeds meer mensen uit het Atlantisch gebied en Azië de stad binnen. Vrije zeelieden, maar ook mensen in slavernij. Uit Afrika, Azië en, vanaf de verovering tot aan het verlies van ‘Nieuw Holland’ door de WIC, vooral uit Brazilië. De latere admiraal Jan van Galen ‘gaf ’ zijn vrouw Hillegonda Pieters in de jaren 1620 de ‘morin’ Maria. In 1638 kwam Hans Willem Louissen met vrouw, twee dochters en twee ‘moulaten’ met het schip De Regenboge uit Brazilië. In 1639 vertrok Joan Roiz Machado met zijn vrouw en een zwarte slaafgemaakte man met het schip Barcque Longe eveneens uit Brazilië. In 1642 schonken Simeon Correa en zijn vrouw Maria da Costa Caminha in Amsterdam de vrijheid aan de zwarte vrouw Zabelinha en haar kinderen. In het kerkje van Sloterdijk trouwde op 27 oktober 1652 slaafgemaakte Jacob van ‘Bangalen’ met Susanna van ‘Gujarati’. Na de voltrekking van het huwelijk werd het echtpaar teruggezonden naar Azië. Zij waren naar Amsterdam meegenomen door Jan van Teylingen, commandeur van de VOC-handelspost Suratte in India.

In de praktijk verliet een deel van de bedienden, al dan niet met toestemming, hun ‘meesters’. In de jaren 1630 leefden dan ook diverse vrije zwarte families in de omgeving van Vlooienburg en de Jodenbreestraat. Uit onderzoek is gebleken dat tussen 1630 en 1665 ongeveer honderd mensen van Afrikaanse afkomst trouwden in Amsterdam; deze mensen woonden vrijwel allemaal bij elkaar in de buurt.6 Uit de schaarse documenten blijkt dat deze mensen elkaar goed kenden, en met elkaar optrokken. Regelmatig trouwden in Amsterdam aanwezige zwarte vrouwen met zwarte zeemannen die meestal via Brazilië in Amsterdam terechtkwamen. Deze gemeenschap vormde waarschijnlijk het vangnet waardoor mensen als Juliana uit slavernij konden vluchten.

Toename van slaafgemaakten uit Oost en West

De situatie veranderde met de vestiging van verschillende plantagekolonien in Zuid-Amerika, Suriname, Berbice en Demerary. Deze koloniën waren zoals elders in deze bundel is te lezen, vrijwel volledig gebaseerd op de arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen, en in mindere mate Inheemsen. Een klein deel van deze mensen zou ooit in Amsterdam of elders in de Republiek terechtkomen. Toch reisden plantage-eigenaren steeds vaker uit de plantagekoloniën naar de Republiek, voor zaken of om zich daar permanent te vestigen, waarbij zij vaak slaafgemaakte bedienden meenamen. In de loop van de achttiende eeuw nam de komst van slaafgemaakten uit met name Suriname dan ook flink toe. De Surinaamse gouverneursjournalen geven een indruk van het komen en gaan van plantage-eigenaren en anderen met hun slaafgemaakte bedienden. In de loop van de achttiende en negentiende eeuw zijn honderden slaafgemaakten uit Suriname voor korte of langere tijd in de Republiek terechtgekomen.

door Michiel van Musscher

Een voorbeeld uit 1769 geeft een indruk van de omvang van dit fenomeen. Op 1 mei 1769 vertrokken vier schepen uit Paramaribo naar Amsterdam, de Spion, de Jonge Elias, de Johan Coenraad en de Anna Maria Magdalena. Onder de 33 passagiers waren acht slaafgemaakten, Princes en Tamra, de jongen Turk, de jongen Hazard, de meisjes Diana, Porta en Venus en de jongen September. Jaarlijks vertrokken tientallen schepen, en op vrijwel elk schip dat in de Republiek aankwam, waren slaafgemaakten aanwezig. Velen gingen na enige tijd weer terug naar Suriname zonder dat er iets aan hun juridische status veranderd was. Anderen bleven in de Republiek tot aan hun dood, zoals Susanna Dumion, die door de weduwe Susanne l’Espinasse werd meegenomen naar Amsterdam. Dumion wordt door L’Espinasse in haar in Amsterdam opgemaakte testament ‘slavin of dienstmaagd’ genoemd, bij overlijden van L’Espinasse zou Dumion de vrijheid en een toelage van 4 gulden per week worden toegekend. Op 28 mei 1784 liet Dumion zelf een testament opmaken. Uiteindelijk zou Susanna Dumion op 12 november 1818 op 105-jarige leeftijd overlijden in Haarlem, volgens de overlijdensakte liet zij geen vaste goederen na. Andere slaafgemaakten werden in Amsterdam, na kortere of langere tijd, formeel vrijgemaakt door hun eigenaren. Een voorbeeld is Juan Francisco Ado, die in 1731 in Amsterdam arriveerde met Anna Levina Leendertsz, vrouw van de voormalige gouverneur van Curaçao, en oud-schepen van Amsterdam Jan Noach du Fay. Al voor vertrek uit Curaçao was afgesproken dat als de ‘slaaff haar […] behoorlijk mochte dienen en oppassen geduurende de reijse’, hij in de Republiek zijn vrijheid zou krijgen. Formele vrijmakingen hadden meestal te maken met een geplande reis naar het buitenland, meestal terug naar de kolonie, in het geval van Ado terug naar Curaçao. Terwijl in Suriname steeds meer slaafgemaakten het oerwoud in vluchtten om in vrijheid te kunnen leven, hadden de bewoners van de relatief kleine Caribische eilanden als Curaçao minder mogelijkheden. Regelmatig probeerde slaafgemaakten als verstekeling te vluchten, ook naar de Republiek. Lang niet altijd was dit succesvol en dan werden verstekelingen uiteindelijk vaak teruggestuurd. Zoals Paap die in Axim werd geboren en in Curaçao als slaaf werd verkocht. In 1734 ging hij als verstekeling aan boord van het schip Werkendam richting Amsterdam. Hij wilde doorreizen naar Afrika, maar werd na een beslissing van de Staten-Generaal teruggestuurd naar Curaçao.


De viering van de Pesachmaaltijd Bernard Picart , 1725 (Amsterdam Museum)

De VOC probeerde de komst van slaafgemaakten naar de Republiek vanuit Azië zoveel mogelijk te beperken. Repatriërende VOC-dienaren moesten meegenomen slaafgemaakte bedienden in principe achterlaten op de Kaap, tenzij zij uitdrukkelijk toestemming hadden om mensen mee te nemen. Toch kwamen veel Aziatische mannen en vrouwen met een achtergrond in slavernij in de loop van de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in Amsterdam terecht. In de bronnen worden zij meestal ‘gewesene slavinnen’ genoemd. Thomas Matroos en zijn vrouw Maria de Grave lieten op 8 november 1729 bij een notaris vastleggen dat hun ‘geweesene Slavinne, die zij uijt India herwaarts met haar hebben overgebragt, genaamt Sara van Java, bij de langst levende zal blijven woonen tot haar dood toe’. Bij overlijdenvan Matroos dienden de erfgenamen Sara in huis te nemen of tot aanhaar dood een jaarlijkse toelage van f. 150,- te betalen. Op 15 mei 1737 liet Calistrevan Amboina (Ambon) bij dezelfde notaris haar eigen testament op- maken, ook zij werd een ‘geweesene slavinne’ genoemd. Zij was naar deRepubliek meegenomen, door de vanuit Batavia repatriërende VOC-opperkoopmanJan Elsevier en zijn vrouw Ida van der Schuur. Op 21 december1691 werd ‘Lea van Balij gewesene slavinne tot Batavia’ in de Westerkerk gedoopt.Ze woonde bij Ida Castelijn op de Keizersgracht en was waarschijnlijkmeegenomen door Ida Castelijn en Jan Parvé, de admiraal van een retourvlootin 1690. De rest van haar leven bleef Lea van Balij in Amsterdamen trouwde in 1708 met Nicolaas Baltus van Ambon (Molukken).

Juridisch verzet en formalisering

Tot diep in de achttiende eeuw veranderde meestal niets aan de status van slaafgemaakten: zij bleven slaven wanneer zij na een verblijf in Amsterdam terugkeerden naar Suriname of andere kolonies. Totdat Marijtje Criool en haar dochter Jacoba Leilad, beiden als slaafgemaakten naar de Republiek gebracht, in 1771 bij de Staten-Generaal om vrijbrieven vroegen om daarmee als vrije mensen naar Suriname te kunnen vertrekken. De Staten-Generaal besloten, gebaseerd op de oude wetgeving dat de Republiek geen slavernij kende, dat vrijbrieven niet nodig waren, omdat zij vanwege hun aanwezigheid op ‘vrije grond’ automatisch vrij waren geworden. Dat hier direct gebruik van werd gemaakt door andere slaafgemaakten blijkt wel uit het verhaal van Adriaan Isaak Koopman. Koopman was als Fortuin, de slaafgemaakte bediende van Reinier du Plessis, in 1772 in Amsterdam aangekomen. In Amsterdam wilde hij zich laten dopen in de hervormde kerk. Du Plessis wilde daar geen toestemming voor geven, waarna Fortuyn zich op het plakkaat van 1771 beriep.

De beslissing van de Staten-Generaal leidde tot onrust onder de planters in Suriname en de investeerders in Amsterdam. De investeerders in Amsterdam maakten zich druk om het kapitaalverlies. Om hen tegemoet te komen, werd de regelgeving door de Staten-Generaal aangepast. In 1776 werd bepaald dat slaafgemaakten die in de Republiek aankwamen niet automatisch vrij werden, maar pas na een halfjaar, met de mogelijkheid tot verlenging van nog een halfjaar. Als de slaafgemaakte na dat jaar nog niet was teruggestuurd naar Suriname werd hij automatisch vrij, ook bij terugkeer naar de kolonie. Maar zelfs daarna werd dit nog af en toe met succes betwist door slaveneigenaren.

Conclusie

Hierboven is aan de hand van voorbeelden de ontwikkeling geschetst van Aziatische en Atlantische migratie naar Amsterdam gedurende de zeventiende en achttiende eeuw. Gedurende de hele periode van slavernij leefden Aziatische en Atlantische migranten in Amsterdam, al dan niet met een achtergrond in slavernij. Een deel van hen leefde in vrijheid, waaronder een kleine zwarte gemeenschap in de zeventiende eeuw in de omgeving van de Jodenbreestraat. Het oude van vrijheidslievende principes getuigende plakkaat werd nooit door autoriteiten actief gehandhaafd, waardoor slavernij in de praktijk bestond. Het plakkaat bood voor sommige naar Amsterdam gemigreerde slaafgemaakten wel een mogelijkheid om hun vrijheid op te eisen.

In officiële documenten werden voormalige slaafgemaakten uit Azië in de Republiek ‘gewesene slaven’ genoemd. Tegelijkertijd kwamen in de loop van de achttiende eeuw honderden slaafgemaakten uit de Guyana’s voor kortere tijd naar Amsterdam. Aan hun juridische status veranderde meestal niets en zij bleven slaven. Dit werd in de jaren 1770 door een aantal slaafgemaakten succesvol aangevochten, waardoor slaven op basis van een bezoek aan de Republiek vrij konden worden verklaard. Maar deze maas in de wet werd in 1776 gedicht om voorrang te geven aan de belangen van slavenhouders en in slavernij investerende Amsterdammers.

Mark Ponte, ‘Tussen slavernij en vrijheid’ in: Pepijn Brandom e.a., De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek (Spectrum; Amsterdam 2020) 248-256.

Clara van Bengalen (ca. 1759-1771)

Onlangs werd dit prachtige portret van Joanna de Silva uit Bengalen aangekocht door het Metropolitan Museum. Joanna de Silva, zo blijkt uit een opschrift op het schilderij, verzorgde de kinderen van de Britse Luitenant Kolonel Charles Deare. Niet vaak kom je zo’n mooi portret van een (waarschijnlijk slaafgemaakte) bediende tegen. Het portret werd in 1792 geschilderd door William Wood (1769-1810).

De afgelopen jaren kwam ik in de Amsterdamse archieven meer dan twintig mannen, vrouwen en kinderen uit ‘Bengalen’ tegen, die voor korte of langere tijd in de stad verbleven in de zeventiende en achttiende eeuw. Vooral zeemannen en (slaafgemaakte) bedienden. Eén van hen was Clara, een jong meisje dat in 1771 werd begraven op het Leidse Kerkhof. Clara woonde in het Aalmoezeniersweeshuis, het armenweeshuis van Amsterdam. Waar het leven zeer hard was.

Image

Het slaafgemaakte meisje Bietja, 1784. Jan Brandes (Rijksmuseum)

Midden in de winter van 1768 zwierf het kleine meisje moederziel alleen over straat in Amsterdam, totdat iemand haar tussen kerst en nieuwjaar naar het weeshuis bracht. Waar ze een klein deel van haar verhaal vertelde. Dit werd als volgt opgetekend in het ‘innameboek’ van het weeshuis:


Clara van Bengalen, oud 8 1/2 jaar

Sijnde als een Slaafvinne met Capt Johannes Sigismundis Hoeve omtrent een en half jaar geleden van Bengale alhier mede gebragt en is nu wederom met zijn vrouw met het schip De Vrouw Cornelia Hillegonda na Indien vertrokken en dit slavinnetje alhier gelaaten. t welk loopt swerven en niemand is die het zelve kint wil na sig neemen.”

Image
Inschrijving Clara van Bengalen, 8 1/2 jaar oud in het Aalmoezeniersweeshuis.
Image
Aalmoezeniersweeshuis, Stadsarchief Amsterdam

Clara zou de rest van haar korte leven in in het weeshuis wonen. Twee jaar en drie maanden later, op 18 april 1771, werd zij begraven op het Leidse Kerkhof, nog geen 11 jaar oud.


Tekening Leidse Kerkhof door Gerrit Lamberts, 1815 (Collectie Stadsarchief Amsterdam)

In de zomer van 1767was Clara, als 7-jarig meisje in slavernij, meegenomen naar Amsterdam door VOC-kapitein Johannes Sigismundis Hoeve. Toen Hoeve na een halfjaar weer naar Azië vertrok, liet hij Clara aan haar lot over in de stad.

Clara was niet het enige slaafgemaakte Aziatische kind dat in een stedelijke armeninstelling terecht kwam. In de tentoonstelling ‘Amsterdammers en slavernij’ in het Stadsarchief was afgelopen zomer het verhaal te zien van een baby die naar het weeshuis werd gebracht: Hanibal van Moston, kind van twee Aziatische ouders, die door een dominee naar de Republiek werden meegenomen.

De eerste zwarte Amsterdammers

In het kader van de Maand van de Geschiedenis verschenen in: GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 7 OKTOBER 2020

Wanneer de eerste personen van Afrikaanse afkomst zich in Amsterdam vestigden, is moeilijk vast te stellen. Wel bestaan er documenten die hun aanwezigheid bewijzen vanaf de late zestiende eeuw: in januari 1593 trouwde in de Oude Kerk Bastiaen Pietersz van ‘Maniconge in Afryken’ met de Amsterdamse weduwe Trijn Pieters. In de bronnen wordt hij ook wel ‘moriaan’ genoemd. Bastiaan was verversgezel en werkte dus in de lakenindustrie. In 1594 kreeg hij een dochter, Madelen, die werd gedoopt in de Nieuwe Kerk op de Dam, misschien wel het eerste in Amsterdam geboren Afro-Europese meisje. Bastiaen Pietersz was vrijwel zeker een vrije zwarte man afkomstig uit het koninkrijk Congo. In 1602 woonde hij nog altijd met zijn dochtertje in Amsterdam. In 1603 trouwde Abdon de Kuyper van het Afrikaanse eiland Sao Tomé in Amsterdam en legde bovendien de poortereed af; hij werd dus burger van de stad; dit is tot nu toe de enige poortereed van een zwarte migrant die is teruggevonden in Amsterdam.

Begraafboeken van Beth Haim

Deze twee mannen waren vrij, maar begin 17de eeuw kwamen ook steeds vaker onvrije zwarte bedienden naar de stad, vooral met Sefardische families uit Spanje en Portugal die op de vlucht voor geloofsvervolging naar de Republiek trokken. In de Algarve en Lissabon leefden toen duizenden mensen van Afrikaanse afkomst, zowel in vrijheid als in slavernij. Op de in 1614 gestichte Joodse begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel werd zelfs een aparte plek aangewezen als begraafplaats voor escravos (slaven), criados (bedienden) en moças (dienstmeisjes) die wel Joods, maar etnisch niet Portugees waren.

Ca. 1530, een geketende Afrikaan aan het werk, ergens in Castilië (uit het Trachtenbuch van Christoph Weiditz, collectie Germanisches Nationalmuseum Neurenberg).

In de 17de-eeuwse begraafboeken van Beth Haim zijn verschillende mensen van Afrikaanse afkomst te vinden. De term ‘slaaf’ werd slechts enkele keren gebruikt: ‘Op 28 [september 1617] werd een slavin van Abraham Aboaf begraven, achter de slavin van David Netto’. Later spreekt men van ‘negros’ of ‘mulatos’. Andere Joden van kleur werden in een reguliere afdeling ter aarde besteld. In dezelfde periode namen soms scheepskapiteinszwarte bedienden mee en werden ook de eerste schilderijen met zwarte bedienden geschilderd in Amsterdam. Zo ‘schonk’ de latere admiraal Jan van Galen Maria zijn vrouw een ‘morin’ genaamd Maria. Jan Pick van Angola diende in het huis van scheepskapitein Laurens Rasieres. Hij werd na Rasieres overlijden vrijgemaakt door diens weduwe Alleta Houtums. Dit terwijl de regels in Amsterdam eigenlijk anders luidden: formeel was slavernij er niet toegestaan. De boeken met ‘Keuren en Costumen’ (regels en gebruiken) van Amsterdam bevatten tenminste vanaf de jaren 1640 een bepaling over dit onderwerp; waarschijnlijk was dit door een toename van het aantal zwarte bedienden in de stad actueel geworden. Het artikel ‘Van den Staet ende conditie van persoonen’ stelt duidelijk: ‘Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven.’ Het tweede artikel bepaalt dat wie tegen ‘haeren danck’ in slavernij werd gehouden, zich tot het gerechtshof kon wenden om de vrijheid te verkrijgen. Dit vroeg echter wel wat: je moest op de hoogte zijn van de wetgeving maar ook de mogelijkheid hebben om het huis te verlaten en een proces te beginnen. En als het dan gelukt was moest je ook ergens terecht kunnen voor onderdak en werk.

De zwarte bediende van deze anonieme Amsterdamse familie is naar het leven geschilderd (ca.1631 door Willem Duyster, Rijksmuseum Amsterdam).

In de praktijk blijkt in de 17de eeuw wel degelijk een groeiend aantal onvrije zwarte mensen in de stad geleefd te hebben, maar ook waren sommigen goed op de hoogte van de Amsterdamse wetten. Zo greep Juliana, die in 1656 uit Brazilië was meegenomen door suikerhandelaar Eliau de Burgos, deze kans aan om haar vrijheid te verkrijgen. We weten dat omdat de ontstemde De Burgos een verklaring opstelde met het oogmerk haar terug te krijgen. Er staat in dat hij van plan was te vertrekken naar de plantagekolonie Barbados en Juliana als bediende wilde meenemen. Zij was echter door Amsterdammers op haar rechten gewezen en had besloten bij hem weg te gaan, zonder tussenkomst van de autoriteiten.

Dit is het enig bekende portret van een zwarte man in de vroege Europese schilderkunst (door Jan Jansz Mostaert ca. 1525 gemaakt in Brussel). Misschien betreft het Christophle le More, een zwarte boogschutter in dienst van Karel V. Het Maria-insigne op de muts herinnert aan een pelgrimstocht naar Halle (Brabant), een favoriet pelgrimsoord van het Brusselse hof (Rijksmuseum Amsterdam).

Kleine kamertjes en kelderwoningen

Het aantal vrije en onvrije zwarte mensen in Amsterdam nam na 1630 sterk toe, blijkt uit de doop- en huwelijksregisters. Na de verovering van het noordoosten van Brazilië kwamen steeds vaker vrije zwarte zeelui in dienst van de WIC in Amsterdam. Ook namen repatrianten tot slaafgemaakte bedienden mee. Zo was omstreeks 1650 een gemeenschap ontstaan van rond de honderd personen van kleur die met elkaar optrokken. Zeelieden uit Angola, Kaapverdië en Brazilië gingen relaties aan met zwarte bedienden in de stad – in theorie vrij, maar in werkelijkheid niet altijd. Tussen 1630 en 1665 werden tientallen huwelijken gesloten waarbij beide partners van Afrikaanse afkomst waren. Bij dopen, meestal in de katholieke schuilkerk het Huis Mozes aan de Jodenbreestraat, op de plek waar nu de Mozes en Aäronkerk staat, brachten zij meestal getuigen uit de eigen gemeenschap mee.

Serie portretten door Wenzel Hollar, 1645. Hollar werkte toen in Antwerpen, en was eerder ook actief in Amsterdam. (Rijksmuseum Amsterdam)

Sommige echtparen speelden hierin duidelijk een belangrijke rol, zoals Pieter Claesz Bruijn van Brazilië en Lijsbeth Pieters van Angola. Na hun huwelijk in 1649 traden ze regelmatig als getuige op bij dopen van Afro-Nederlandse kinderen, onder wie Pieter, zoon van Alexander van Angola en Lijsbeth Dames en Catharina, dochter van Louis en Esperanza Alphonse.

We weten dat individuele zwarte zeelui vaak hun intrek namen bij dezelfde pensionhoudster of beddenverhuurster als hun witte collega’s. Een van hen, Anthoine Zanderts uit Angola, trouwde met de Duitse Agnietje Cornelisdr. die in de volkswijk de Jordaan bedden verhuurde in een zijsteegje in de Anjelierstraat. De meeste vrije zwarte Amsterdammers leefden net als zoveel andere arme migranten in de stad met meerdere gezinnen in kleine kamertjes en kelderwoningen. Of ze ook met witte families samenwoonden is niet bekend, wel dat er verschillende zwarte gezinnen woonden in de omgeving van Vlooienburg (het huidige Waterlooplein) en de Jodenbreestraat.

Rembrandt

Hoe keken de witte buurtgenoten aan tegen deze zwarte mensen? Zien we tekenen van discriminatie? Bronnenmateriaal hierover uit de 17de eeuw bestaat haast niet. Enkele snippers hebben we kunnen vinden: in oktober 1654 werd de Afro-Braziliaan Laurentius Lier opgepakt omdat hij op straat zijn degen had getrokken en er mee had gegooid omdat ‘eenige jongens hem na liepen’. Het zou heel goed kunnen dat Lier werd uitgescholden vanwege zijn huidskleur, maar helemaal zeker is het niet.

In een serie notariële verklaringen uit 1632 over een amokpartij waarbij zwarte mannen en vrouwen betrokken waren, wordt in uiterst negatieve termen over hen gesproken. De Portugese koopman Manuel Francisco, die boven hen woonde, stelde “dat hij de bovengemelde swarten ende swartinnen seer wel kent, ende vastelijck weet dat het een wilt ende stout volck is, die veel twist ende rumoer tegen ijedereen soecken”. Een andere Portugese koopman, noemde hen een “boos ende goddeloos volck”, en ga zo maar door. Waren dit individuele opvattingen over een bepaalde groep mensen, of resoneren hier ook duidelijk meer algemeen levende vooroordelen? Dat is moeilijk te beoordelen.

Een interessant voorbeeld betreft de in Brazilië geboren draaideurcrimineel David de Solis. die blijkens notariële akten een Portugees-Joodse vader en Afro-Braziliaanse moeder had. Hij was na het verlies van Nederlands-Brazilië in 1654 als klein jongetje met zijn joodse familie naar Amsterdam gekomen, waar hij zich zou ontwikkelen tot een oplichter. Zo dobbelde hij onder meer met valse stenen. Vanaf de late jaren 1660 werd hij regelmatig opgepakt en vastgezet onder het Stadhuis op de Dam. Hij komt dan ook veelvuldig voor in de confessieboeken van de schout, maar in geen van de gevallen wordt melding gemaakt van zijn (deels) Afrikaanse afkomst. Wel wordt regelmatig zijn joodse afkomst benadrukt. Wellicht had de schout meer last van antisemitische opvattingen dan van antizwart racisme.

Gerrit Dou, circa 1635 (Hannover, Niedersächsisches Landesmuseum)

In de Republiek gedrukte beschrijvingen van zwarte mensen na ca. 1660 laten al duidelijk stereotypes zien; zwarte mensen worden afgeschilderd als onderdanig wezens zonder eigen karakter. Alsof het besef was verdwenen dat het hier mensen met elk hun unieke persoonlijkheid betrof. De steeds negatievere beeldvorming ging hand in hand met de toename van de slavenhandel en de vestiging van plantagekoloniën in het noordoosten van Zuid-Amerika, met Suriname als de belangrijkste. Vlak voordat dit gebeurde, zijn echter enkele prachtige portretten van zwarte Amsterdammers gemaakt waarop ze zichzelf zijn, geen stereotype. Met zijn leerlingen schilderde Rembrandt in zijn studio aan de Jodenbreestraat namelijk naar het leven: de modellen liepen er over straat en woonden om de hoek.

Mark Ponte

Twee slaafgemaakte Afro-Surinamers op koloniaal familieportret

Mark Ponte

Wie beeldmateriaal over de Surinaamse slavernij zoekt komt al snel uit bij de canonieke gravures uit Stedman of de litho’s van Benoit. Foto’s van mensen die in Suriname in slavernij leven zijn zeer schaars. In de film Amsterdam, Sporen van Suiker van Ida Does waren enkele van dit soort foto’s te zien. En natuurlijk zijn er de foto’s uit 1883 in het boek van Bonaparte met onder andere de voormalige slaafgemaakte Jacqueline Ricket en Syntax Bosselman. Jacqueline Ricket werd in slavernij geboren op plantage Paradise, maar was 3 jaar oud en nog ‘spelend’ bij de emancipatie in 1863.


Familie Bosch Reitz met slaafgemaakte bedienden, Paramaribo 1860 (RKD)

Struinend door de Beeldbank van het RKD stuitte ik enkele jaren geleden op het ‘Portret van Guillaume Jacques Abraham Bosch Reitz (1825-1886) en zijn gezin’. Een bijzondere daguerreotypie uit 1860 van de familie Bosch Reitz in Paramaribo, drie jaar voor de afschaffing van slavernij dus.

Op de foto zien we een typisch tafereel uit de Surinaamse slaventijd. Een witte baby op schoot bij een zwarte slaafgemaakte vrouw met blote voeten. Het was slaafgemaakten niet toegestaan om schoenen te dragen. Links staat een kind van een jaar of acht. De rijke koloniale familie, heeft de zorg en opvoeding van de baby uitbesteed aan slaaf gemaakte vrouwen. Het slaafgemaakte kind links (de ‘Futoboi’), staat ieder moment klaar staat om een klusje uit te voeren. De foto werd genomen in het hun prachtige houten huis aan de Waterkant 36 te Paramaribo.

Op de hoek Waterkant 36 (Collectie Surinaams Museum)

RKD beschrijft de foto als volgt: “Groep in grote kamer. Mevrouw Inniss zittend op grote stoel, waar Guillaume en Josephine achter staan. Guillaume heeft zijn arm om de schouders van zijn vrouw geslagen. Vooraan zit een vrouw met hoofddoek op de grond, met de baby op haar benen. Links staat een kind (bediende?).”

Wie zijn deze mensen? Op de foto staan de Breukelen geboren Guillaume Bosch Reitz (1825­1880) met zijn vrouw Josephine Gibson Austin (1842-­1917) uit Brits-Guyana. Ook Bosch Reitz’ schoonmoeder, Melicent Inniss geboren op het Engels Caribische eiland Barbados, staat op de foto. De baby is Gertrude Elisabeth Sophie Bosch Reitz, geboren in januari 1860. Maar wie zijn de slaafgemaakten op de foto?

Kunnen we deze anonieme mensen die op dat moment in slavernij leefden identificeren? Dat is natuurlijk erg lastig met zekerheid te zeggen. Wel kan je aan de hand van de emancipatieregisters van 1863 en de recent ontsloten slavenregisters een poging wagen.

Toen in 1863 de slavernij in Suriname werd afgeschaft verbleven er vijftien slaafgemaakten bij Guillaume Bosch Reitz. Zij waren afkomstig van verschillende plantages die de familie in handen had. De vrijgemaakten in 1863 waren Julius Babbel (14), Frederika Ellik (45), Andresa Ellik (20), Adriana Falkenstein (80), Jacobus Faré (21), Cornelia Geerberg (60), Juliana Geerberg (16), Adriana Geerberg 5, Clara Giskus (65), Betje Kemnaad (64), Maria Lupson (31), Robert Lupson (15), Frederica Lupson (13), Donderdag Stierbosch (27), Johanneke Betsie (62).

Nou kan er in drie jaar natuurlijk het een en ander veranderd zijn in huize Bosch Reitz, maar het lijkt waarschijnlijk dat deze twee slaafgemaakten ook in 1863 nog bij Bosch Reitz werkten. Zeker de vrouw die voor de kinderen zorgde.

Alleerst het kind dat links staat. Gezien de leeftijden zijn hiervoor eigenlijk maar twee kandidaten, de elfjarige jongen Julius Babbel of het tienjarige meisje Frederica Lupson. De leeftijd van de vrouw die de baby verzorgde, is lastiger te schatten, maar ze lijkt geen zestigplusser en ook geen 18 meer. Ook voor de zittende vrouw zijn er daarom twee kandidaten. Maria Lupson, op dat moment ongeveer 28 jaar oud, en Frederika Ellik die dan 42 zou zijn. Afgaande op de foto lijkt Maria de meest logische kandidaat. Volgens de Surinaamse slavenregisters was Frederica de dochter van Maria. Alles bij elkaar lijkt het mij dan ook zeer waarschijnlijk dat moeder en dochter Maria en Frederica, die in 1863 de achternaam Lupson kregen, hier op de foto staan.


Frederica Lupson (waarschijnlijk), Paramaribo 1860

Maria Lupson (waarschijnlijk), Paramaribo 1860.

Maria en Frederica waren afkomstig van plantage Houttuin. Zij waren tot 1863 in bezit van de Amsterdamse Geertruida Elisabeth Kuvel, echtgenote van Gijsbert Christiaan Bosch Reitz. Alleen al voor plantage Houttuin ontving Kuvel 70.800 gulden compensatie voor het vrijmaken van de slaafgemaakten op 1 juli 1863. Geertruida Elisabeth Kuvel woonde toen de foto gemaakt werd op  Keizersgracht 429 in Amsterdam.

Keizersgracht 429 (dubbelpand rechts)

Maria trouwde op 18 februari 1870 met Charles Lorijntzen. Het huwelijk werd aangekondigd in de Surinaamse kranten. Toevalligerwijs (?) werd in diezelfde krant melding gemaakt van de geboorte van een zoon van Guillaume Bosch Reitz. Maria is overleden op 25 februari 1881. Frederica ben ik nog niet tegen gekomen in latere bronnen.

Mark Ponte

Zabynaja – a play

On 2 March 1648, the première performance of the theater play Zabynaja took place in the Stadsschouwburg (City Theatre) on the Amsterdamse Keizersgracht. Zabynaja is a black woman, referred to in the play as both a moris and a swartin. She is enslaved by a the Portuguese nobleman called Claudio. The play was translated from Spanish by the alderman Gerard Pietersz Schaep and adapted by the author Jan Zoet. Aside from Bredero’s Moortje, it was probably the only play with a black woman in the title role.

Engravure of the Playhouse Van Campen in 1658 by Salomon Savery

Spanish theatre was very popular in Amsterdam. Gerard Schaep made the striking choice not only to translate the names, but also to move the place of the action from Spain to Amsterdam, more specifically to the island of Vlooienburg, near Jodenbreestraat. That was surely no coincidence, as Vlooienburg was home to many Spanish and Portuguese Jews, some of whom had black servants in their households. Apparently, this was a recognizable image to Amsterdam theatre public in the mid-seventeenth century.

Image
Vlooienburg (5)

The play also refers to Rembrandt, who lived in the same area. Two men – Claudio and Pedro de Burgos – are trying to seduce Dorothea, who is married to Bonifacio. But neither one has yet succeeded. When Zabynaja sees what her ‘master’ is up to, she devises a trick.

Jan Zoet - Zabynaja - 1648

Dorothea is a buyer of gold and silver thread. Using money from Claudio, Zabynaja pretends that she has been sent by a Spanish noblewoman and that she is an artist who embroiders with such skill that she ‘overshadows the paintings of Rembrandt himself with her needle, which serves as a brush with which she paints in gold. The lady [Dorothea] is thereby so ‘inflamed’ that she would like an opportunity to speak to her about art’.

The trick works; Zabynaja persuades Dorothea to come first to a party at Claudio’s house and then, with sweet wine and flattering words, to Claudio’s bedchamber – where the two of them are caught and arrested on the charge of adultery. Zabynaja is ultimately able to buy Dorothea’s freedom with Claudio’s money, and Claudio is released because he is unmarried.

The theatre’s accounts show that the play was performed only three times, on 2, 5, and 9 March 1648. The role of Zabynaja was probably played by a man in the theatre’s regular, all-white ensemble. But the accounts show that not only white people performed in the city theatre that year; On 30 July 1648, five guilders was paid to a black woman singer: ‘to a Moorish girl for singing 20 times

Mark Ponte

Francesca, free black woman in Amsterdam, Easter 1632

At the time when Rembrandt settled on Jodenbreestraat (7), dozens of people of African descent lived in the area. An important neighbor was Francisca, who lived with several black men, women and children in a basement near the Leper House (2) .

Several notarial deeds regarding Francisca have been preserved. They were prompted by a fight in front of the residence of the sugar trader Manuel de Campos on Easter Sunday, 11 April 1632.

What exactly had happened before the skirmish isnot clear from the documents, but on Easter Sunday a group of five black women and two black men went to the house of De Campos. Rocks were thrown and sticks were brandished, resulting in injury to De Campos’ daughter.

Image
Maps of eastern part of Amsterdam (south up), 16

Two days later, Tuesday, 13 April, De Campos had several witnesses to the incident testify before a notary public. The various statements give detailed information about Francesca’s life as seen through the eyes of her neighbors. We learn that she was living with different black men, women and children in a cellar dwelling. Francisca clearly played a pivotal role in the formation of the black community at that time. According to one of the witnesses, Francisca would ‘receive in her house all the black men who come to this city and pair them off with black women.’

Image
Rembrandt, Study of a Standing African Woman, c. 1642. Present location unknown (Montreux, E.J. Reynolds Collection, until 1932).

The names of several of the inhabitants in her cellar are mentioned, including the women Hester and Dina and a man, Franscisco. Naturally, the statements were intended to discredit Francesca and her company, yet they also show us  an interesting picture of a free black woman in the 1630s, who successfully built up a community.

Mark Ponte