De sporen van slavernij in vroegmodern Amsterdam zijn te vinden in verschillende archieven, onder meer in kerkelijke, stedelijke en de notariële archieven. De verhalen spelen zich af op verschillende plekken in de stad.
Op 4 november 1709 stelt de weduwe Catharina Vonck haar testament op, ze is enkele jaren eerder uit (het huidige) Indonesië naar Amsterdam gekomen en woont nu aan de Lauriersgracht bij de Lijnbaangrachtin de Jordaan. Bij haar in huis wonen op dat moment twee mensen met een achtergrond in slavernij, die samen met haar in 1707 uit Batavia zijn vertrokken. Zij worden genoemd in het testament:
‘Aan Eva van de kust van Cormandel […] geweesene Slavin […] een somme van ses hondert guldens eens’ en ‘aan Paris geweesene Slavenkint van Batavia jegrnwoordigh hier te Lande drie hondert gulden eens’ Een halfjaar later maakt zij opnieuw haar testament, met min of meer dezelfde condities alleen spreekt zij nu van ‘Eva haar Swarte meijd’ en ‘Paris haer Swarte jongen’.
Detail uit testament Catharina Vonck
Toen Eva en Paris in 1707 met het schip de Theeboom uit Batavia vertrokken werden zij nog ‘lijgeigene’ genoemd. Eenmaal in Amsterdam worden zij aangeduid als ‘gewezen slaven’. En zij waren zeker niet de enigen in de saad met een slavernijverleden. In hetzelfde jaar maakte Arnoud Plemp Fonteijn, net lasde slaafgemaakte Jan Abrahams van de Kust (eerder genoemd Coridon) en Jan Hendrik van Bengalen vrij. Jan Abrahams woonde sinds een jaar in Amsterdam, Jan Hendrik al ruim vijf jaar. Beiden hebben meer dan twintig jaar als slaafgemaakte bedienden gediend in het huishouden van Plemp Fonteijn. Beiden keerden kort daarna terug naar Azië als (betaalde) soldaat in dienst van de VOC.
In het testament van Vonck was opgenomen dat ook Eva van Cormandel op kosten van de erfgenamen van Vonck terug zou keren naar Azië. Of en zo ja wanneer dat gebeurd is wordt niet duidelijk uit de stukken. Catharina Vonck werd op 27 augustus 1710 begraven in de Westerkerk.
Christiaan van Africa
Wie ook in 1709 een testament liet opmaken was Christiaan van Africa, die op de Herengracht bij het Koningsplein woonde in het huis van ‘zijn meester’ Daniël Verhoutert, een voormalig gouverneur in Elmina, die hem waarschijnlijk als 10-jarige jongen in 1682 naar Amsterdam had meegenomen. In 1710 trouwt hij met Willemina van de Graaft uit Tiel. Het huwelijksgeluk is van korte duur op 25 juli 1711 wordt Christiaan van Africa begraven in Amsterdam, net als Catharina Vonck een jaar eerder en Arnout Plemp Fonteijn 10 jaar later in de Westerkerk. De laatste dagen van zijn leven woonde hij in de Kalverstraat.
Ondertrouwakte Christiaan van Africa en WIllemina van de Graaft
Juliana was een Afro-Braziliaanse vrouw die na de herovering van Recife door de Portugezen in 1654 in Amsterdam terecht was gekomen. Als jong meisje werd zij gekocht door koopman Eliau de Burgos. Nadat Juliana nog anderhalf jaar voor in slavernij had gewerkt in Amsterdam, wilde De Burgos naar het Caribische eiland Barbados vertrekken, Juliana besloot niet mee te gaan maar in vrijheid verder te leven.
Op 1 november 1656 legde koopman Eliau de Burgos in Amsterdam een verklaring af bij een Amsterdamse notaris over de slaafgemaakte Juliana. De Burgos liet op tekenen dat hij Juliana in Brazilië had gekocht toen ze tien of elf jaar oud was en ‘dat hij deselve […] altijt bij hem behouden & tot sijn slavinnen gebruickt heeft tot dat het Recif aende Portugeesen overgegaan is”.
Volgens slavenhouder De Burgos had Juliana hem gesmeekt haar niet te verkopen aan de Portugezen, maar haar in plaats daarvan mee te nemen naar Amsterdam. Of dat waar is, valt te betwijfelen, maar duidelijk is dat zij eenmaal in Amsterdam achter is gekomen dat slavernij volgens het gewoonterecht helemaal niet was toegestaan in de stad. In 1644 was dat nog eens opgenomen in de boeken met ‘Keuren en Costumen’: “Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven” (hoofdstuk 34 Van den Staet ende conditie van persoonen). Ieder mens in Amsterdam was dus een vrij persoon, maar die vrijheid werd niet automatisch verleend. Het tweede artikel bepaalde hoe je die vrijheid op kon eisen: “… alle slaven, die binnen deser Stede […] komen ofte gebracht worden; zijn vrij ende buyten de macht ende authoriteyt van haer Meesters, ende Vrouwen; ende by soo verre haere Meesters ende Vrouwen de selve als slaven wilden houden, ende tegens haeren danck doen dienen, vermogen de selve persoonen haere voorsz. Meester ende Vrouwen voor den Gerechte deser Stede te doen dagen, ende hen aldaer rechtelyck vry te doen verklaren.”
Vrijheid gold dus in theorie voor iedereen, maar om die te bereiken moest je er wel van op de hoogte zijn, de mogelijkheid hebben om naar de autoriteiten te stappen, en natuurlijk een plek hebben om naartoe te gaan na het verkrijgen van de vrijheid. Juliana had die kennis en besloot niet naar het gerecht te stappen maar weg te lopen. De kennis pover de vrijheid in de stad had zij gekregen van mensen in haar omgeving. Volgens De Burgos, was zij opgestookt door “andere die haer wijs gemaeckt hebben dat sij alhijer vrij & ongehouden was hem [..] te dienen”.
Het is waarschijnlijk dat zij in de omgeving van de Jodenbreestraat in contact was gekomen met vrije Afro-Amsterdammers die daar ook woonden en haar geholpen hebben, met kennis en wellicht ook met onderdak.
28 oktober 1769 werd in de hervormde Zuiderkerk in Amsterdam de Aucaner Johannes Jeboa gedoopt. Jeboa was de zoon van Jackje en neef van granman Pambu. Na het Vredesverdrag met de Aucaners (1760) werd hij als ‘pantiman’ meegenomen naar Paramaribo. Van 1767 tot augustus 1771 verbleef hij in Amsterdam.
Zuiderkerk, 28 oktober 2026
De Aucaners waren Marrons, Afrikanen en Afro-Surinamers die hun eigen vrijheid hadden opgeëist door de plantages waar zij te werk werden gesteld te verlaten en in het Surinaamse regenwoud nieuwe gemeenschappen op te zetten. Bij de vredesverdragen tussen de Sociëteit van Suriname en de Aucaners werd bepaald dat er van weerszijden gijzelaars (=ostagiërs/pantiman) zouden worden aangewezen, die met hun leven moesten instaan voor de vrede. Van de zijde van de Marrons waren de ostagiërs verwanten van de granman. Van de zijde van de Sociëteit waren dit militairen.
Jeboa kwam eind 1761 kwam als ‘ostagiër’ in Paramaribo aan. Samen met zijn neef Louis, zoon van Pambu, werd hij daar naar school gestuurd. Louis keerde al snel terug naar de Mama Ndyuka kreek. Jeboa bleef in Paramaribo en werd in 1767 naar Amsterdam gestuurd waar hij onder de hoede van de kerkenraad werd gesteld. In 1771 keerde hij terug en fungeerde voor de koloniale regering als tolk, koerier en bemiddelaar. Hij nam, zo schrijft Sylvia de Groot, ook deel aan expedities tegen de Boni’s en begeleidde uitgeleverde weglopers naar de stad. Tegelijkertijd kocht hij – voor veel geld – de 40-jarige Marianna en haar kinderen vrij uit slavernij.
Hij bleef ‘pantiman’ tot zijn dood op 25 december (kerstdag) 1819.
Surinaamsche Courant, 11 januari 1820.
Zie ook: Sylvia de Groot, Marrons in kaart gebracht, OSO. Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis. Jaargang 16(1997)
In het najaar van 1936 openen twee nieuwe jazzcafés In Amsterdam de deuren: de Kit Cat Club in de Wagenstraat en de Palace aan het Thorbeckeplein.
In deze clubs zijn niet alleen de bands, maar ook het personeel grotendeels Zwart. Ze komen vooral uit Suriname. De eerste bijna geheel Afro-Surinaamse band die in de Kit Cat op het podium staat, is die van Teddy Cotton, met niemand minder dan saxofonist Kid Dynamite, Cottons oudere broer en bassist Eddy (zie ook pp. 28-35), de gitarist Eugène Désiré Heije en drummer Johnny Stoffels. Pianist Vic Raijer is de enige witte Nederlander in de band.
Met de trompet Teddy Cotton in de Kit Cat Club, voor Kid Dynamite, Eddy ‘King’ Patrick, achter:Johnny Stoffels, Nic Rayer, Jenny Heye en Eddy Cotton
Vanaf november wordt het stokje overgenomen door de band van Surinamer Walther Rens, met opnieuw een band bestaande uit Surinamers – onder wie Max Woiski en Eddy Patrick – en de Joodse Amsterdammer Max Pohla op de piano. De clubs zijn zeer populair bij Amsterdamse jongeren, en er ontstaan contacten tussen de eveneens jonge musici en een aantal vrouwen in het publiek.
De autoriteiten – in het bijzonder hoofdcommissaris Versteeg en burgemeester De Vlugt – zien het allemaal met argusogen aan. Haast iedere avond zitten er politie-informanten aan de bar die aan de hoofdcommissaris rapporteren over wat er zoal gebeurt. Het resulteert in een vuistdik dossier waarin zelfs onderschepte lief desbrieven worden bewaard. In een rapport vergelijkt Versteeg de Kit Cat met Artis, de muzikanten noemt hij ‘mensapen’ die hij vooral als een gevaar ziet voor ‘blanke meisjes’, die ‘sexueel ten val [worden] gebracht.’ Na klachten en een incident met twee minderjarige Amsterdamse HBS-meisjes wordt de vergunning ingetrokken en de Kit Cat Club gedwongen al het personeel en de band te ontslaan. Andere horecazaken met Surinaams personeel worden ook onder druk gezet. Ondanks diverse petities van ontslagen personeel blijft het hierna lastig voor Afro-Surinamers om in Amsterdam aan de bak te komen.
De Palacebar aan het Thorbeckeplein blijft open, maar ook hier wordt al snel het Zwarte barpersoneel ontslagen. De bar, die al langer bestaat, is eind 1936 omgedoopt in de ‘N*gr* Palace’. Hier spelen zowel internationale bekende artiesten als lokaal Amsterdams talent.
Mike Hidalgo, Arthur Pay, Kid Dynamite, Freddy Johnson in the Palace 1936
Men spiegelt zich aan Harlem, het centrum van Afro-Amerikaanse cultuur. De wijk in New York is het centrum van wat de ‘New Negro Movement’ genoemd wordt, ook bekend als de ‘Harlem Renaissance’. Het woord ‘Negro’ had niet dezelfde klank die het nu heeft. In dezelfde tijd wordt de activistische en emancipatoire krant The Negro Worker uitgegeven – een clandestiene communistische internationale uitgave waar onder meer Surinaamse politiek activisten als Otto Huiswoud en Anton de Kom voor schrijven. (Lees in One World over Zwarte activisten in het interbellum)
De Palacebar is een groot succes, vooral dankzij de hoge kwaliteit van muziek die er gemaakt wordt. New Yorkse artiesten als Freddy Johnson, Benny Carter en Coleman Hawkins spelen in de Palace de hoofdrol. De bekende Amerikanen worden afwisselend bijgestaan door Surinaamse jazzartiesten als Kid Dynamite, Arthur Pay, Johnny Stoffels en Mike Hidalgo, en geboren Amsterdammers als Max Pohla, Maurice van Kleef en Boy Edgar.
Jazzgeschiedenis op het Thorbeckeplein
Hawkins wordt een invloedrijke mentor voor de Amsterdamse jazzscene. Een van Amsterdams grootste jazzartiesten, Boy Edgar, vertelt jaren later: “Ik heb het vak geleerd in Nederland, voor de oorlog, van Coleman Hawkins. Die toen in 1936-1937 (…) hier in de Palacebar op het Thorbeckeplein speelde. En dan mocht ik, met een klein aantal andere Nederlandse jazzjongens destijds (…) binnenkomen. Daar heb ik het vak van [jazz] spelen in het publiek geleerd.”
Ook Kid Dynamite leert van Coleman Hawkins en legt zich vanaf dat moment, net als Hawk, toe op de tenorsaxofoon. Het verhaal gaat dat Hawk in de Palace avond aan avond gewerkt zou hebben aan zijn legendarische versie van ‘Body and Soul’.
Coleman Hawkins Trio in Palace aan het Thorbeckeplein
Wanneer Hawkins in 1939 terugkeert naar de Verenigde Staten neemt hij het nummer direct op. Het wordt gezien als een van de vroege voorbeelden van bebop.20 Zijn optredens zouden later voor jazzliefhebbers een belangrijke scheidslijn worden: “Wie Coleman Hawkins op het Thorbeckeplein in Amsterdam heeft horen spelen in de jaren dertig, heeft pas recht van spreken”, schreef journalist en jazzliefhebber Igor Cornelissen in 1992 in Het Parool. Onder de bezoekers waren veel HBS-scholieren en ook kunststudenten van de Nieuwe Kunstschool van Paul Citroen, zoals Benno Premsela, de latere eerste voorzitter van het COC.
Internationaal worden de verrichtingen in de Palace ook gevolgd. Wanneer ook Django Reinhardt acte de présence geeft, schrijft een Nederlandse krant op basis van het beroemde blad The Melody Maker: “De interessantste swing-uitvoering, die vermoedelijk ooit in Holland gegeven is (…) vond plaats toen Django Reinhardt, de Fransche meester van het plectrum, en Coleman Hawkins samen in het Negro-Palace in Amsterdam op het podium verschenen en, geaccompagneerd door Freddie Johnson aan de piano en Maurice van Kleef – die als Hollands „Gene Krupa” geclassificeerd wordt – aan het slagwerk hun beste beentje voorzetten.” Dat het om een legendarische periode ging in de Nederlandse jazzgeschiedenis, was de redacteurs van De Jazzwereld toen al duidelijk: “In de annalen van Amsterdam geschiedenis zou men achter het jaartal 1937 kunnen vermelden: ‘de jeugd trekt naar het Thorbeckeplein’, want ouderlijke bezwaren schijnen opeens te zijn weggevaagd”.
Painter Dirk Valkenburg from Amsterdam was one of the few European artists in the early modern era to have lived in Suriname. Who was Dirk Valkenburg, how did he come to be in Suriname, and what was his relationship with the other ‘Surinamese’ artists at that time?
In de Verversstraat, aan de oostelijke zijde van de stad, hield Margriet Clement van Tournai (1591/2 – tussen 1660/1667) haar gasterij. Zij was als meisje naar Amsterdam gekomen, waar ze in 1610 op ongeveer achttienjarige leeftijd voor het eerst trouwde, met een weduwnaar die eveneens uit Tournai kwam. Na diens overlijden hertrouwde ze wederom met een man uit Tournai, waarna ze in 1632 hertrouwde met weduwnaar en spijkermaker Lourens Martijn. Inmiddels had ze in haar drie huwelijken acht kinderen ter wereld gebracht, die allemaal in de Oude Waalse Kerk werden gedoopt.29Omstreeks 1638, toen haar man Lourens voor enkele jaren naar Brazilië vertrok, begon zij haar gasterij.30 Met een echtgenoot die voor langere tijd buitengaats was en haar oudste kinderen die vermoedelijk niet (allemaal) meer thuis woonden, leende haar huis zich om slapers onder te brengen. Mogelijk hebben haar nog inwonende dochters geholpen met de dagelijkse werkzaamheden in de gasterij. Margriet richtte zich, zo blijkt uit de transportakten, vooral op Frans(talig)e militairen: van de 34 mannen die hun gage op Clement transporteerden, kwamen er slechts drie – twee Friezen en een Leidenaar – niet uit Franstalige gebieden. Gezien de afkomst van haar en haar partners en haar betrokkenheid bij de Waalse gemeenschap was deze specialisatie begrijpelijk.
Ergens in de tweede helft van de jaren vijftig moet Lourens Martijn zijn overleden. Het verlies van Nederlands-Brazilië in deze tijd bracht spannende tijden met zich mee voor de gasterijhouders, voor wie het onduidelijk was wat er zou gebeuren met de transporten van alle soldaten en opvarenden die in het Atlantisch gebied werden geëmployeerd. Het bracht Margriet Clement er in ieder geval toe om samen met enkele Haagse herbergiers een verzoekschrift in te dienen bij de Staten-Generaal.31 Op 4 januari 1660 trouwde Margriet Clement voor de vierde en laatste maal. Ze gaf toen op ongeveer 68-jarige leeftijd het jawoord aan zeeman Joubert uit Grenoble, die slechts 36 jaar was.32 Ook toen was zij nog actief als volkhoudster. Ze moet voor 1666 of eerder zijn overleden, want in oktober van dat jaar hertrouwde Joubert, ‘tapper in de Ververstraat’.33
Zaterdag is het Werelddierendag. Mensen zijn dol op dieren. Dat was in de vroegmoderne tijd niet anders. Dieren waren onderdeel van het leven en ze figureren dan ook regelmatig in notariële akten: honden en katten, leeuwen, vogels en apen. Hieronder een aantal dierenverhalen opgeduikeld in de akten. Fijne dierendag allemaal!
‘Geef mij den hond weder’ Tegenwoordig leven er zo’n dertigduizend honden in Amsterdam. Niets nieuws: op 17de-eeuwse schilderijen of 18de-eeuwse tekeningen van de stad zie je ze overal rondlopen, op de pleinen, straten en markten en zelfs, als we de kunstenaars mogen geloven, in kerken en synagogen.
Ruzie om een baviaan in de Vergulde Halve Maan In herberg de Vergulde Hale aan hadden ze een aap. Niet zomaar een aap maar een baviaan, op mensapen na de grootste apensoort die bestaat. Het dier zal met een van de vele schepen van de West- of Oost-Indische Compagnie in Amsterdam zijn gebracht. Kleinere apen en vogels werden vaak als handelswaar meegenomen door
Bijtende honden en een dronken soldaat Als Anna Elizabeth Oosthoff op woensdagochtend 27 juni 1754 rond zonsopgang langs de Amstel naar haar werk loopt, wordt zij bij een werf ter hoogte van het Oetjespad plotseling aangevallen door een hond. De hond, die bij de werf hoort, bijt Anna zo hard in haar arm dat ‘het bloet erbij neerliep’.
De mannenleeuw van Blaauw Jan Op 16 augustus 1737 verkocht Jan Hendrik Mets, kastelein in herberg de Hoop, beter bekend als Blaauw Jan aan de Kloveniersburgwal, de inboedel, inclusief ‘gediertens’, aan zijn opvolger Anthonij Bergmeijer. Verkocht werden onder meer acht rode en één blauwe ‘ravens’ (ara’s), samen 400 gulden, een witte kakketoe voor 70 gulden en drie apen voor 55 gulden. Verreweg het duurste dier was een ‘manne leeuw’, die voor niet minder dan drieduizend gulden genoteerd staat.
De Nederlandse kolonie in Amerika voert een felle strijd tegen de inheemse bevolking. Niet alleen worden honderden mensen vermoord, ze worden ook meegenomen naar Europa. Daar probeert men geld te verdienen door ze tentoon te stellen.
T’Jaques is een Lenni-Lenape, afkomstig uit de inheemse bevolking die leeft rond de rivieren de Hudson en de Delaware. De kleine Nederlandse kolonie in deze streek telt maar zo’n 250 bewoners op dat moment. Maar sinds 1643 voert de WIC onder leiding van gouverneur Kieft een bloedige oorlog tegen de Lenape. Meer dan 1600 mensen – mannen, vrouwen en kinderen – worden uitgemoord. Er worden ook Lenape gevangengenomen en tot slaaf gemaakt. Tenminste één van hen komt in Amsterdam terecht.
De Amsterdamse kermis begint altijd op de eerste zondag na 17 september. Twee weken daarvoor, op 3 september, sluiten Pieter Cocq en Pieter Evel, twee afgedankte WIC-soldaten, bij notaris Pieter van Velsen een contract met Harmanus Meijer. De Cocq en Evel beweren dat zij de Lenape T’Jaques ‘in vrije eigendom’ cadeau hebben gekregen van gouverneur Willem Kieft, als beloning voor hun aandeel in de moordpartijen op zijn volk.