Plantage Alkmaar

Mijn eerst grote tentoonstelling Plantage Alkmaar. Alkmaar in Suriname 1745-heden is van 26 november 2022 t/m 19 maart 2023 te zien in Stedelijk Museum Alkmaar. Met aquarellen van Louise van Panhuys, foto en film door Dimitri Madimin, diorama’s van Gerrit Schouten, kaarten, archiefmateriaal, een tekening van Frans Post en meer.

An enslaved family on the Nieuwe Herengracht in Amsterdam

Voor Nederlandse versie zie hier

In 1783 Anthony, his wife Magdalena and their son Emanuel were taken from Curaçao to Amsterdam. There they ended up in a house on Nieuwe Herengracht, currently number 105. Anthony was the personal servant of the old merchant Isaac Pardo. Magdalena also worked as a servant. How old Emanuel was and whether he also had to work is not known.

Anthony and his family had lived in slavery on Curaçao, in Amsterdam their status was not so clear. Slavery was not officially permitted in that city. In the lawbooks of Amsterdam, a provision on slavery was included from 1644 onwards. This Amsterdam provision was a literal copy of an Antwerp one dating back to the 16th century. Under the heading ‘Of the state and condition of persons’, it was stipulated that: Within the city of Amstelredamme and its freedom, all people are free and there are no Slaves’. This seems to be a clear stipulation that every person in Amsterdam must be considered a free person. However, the second article states that it was up to those who were held in slavery ‘against their will’ to claim their freedom from the city council. In other words, there was no active investigation.

Nieuwe Herengracht Amsterdam, number 105 marked by arrow.

This legislation was also known to the enslaved people on Curaçao. Some gain their freedom by hiding aboard ships and trying to reach the Republic as stowaways. Mostly in vain. In the course of the eighteenth century, there were hundreds or even a few thousend of enslaved people from Surinam, Berbice and Curaçao, among others, who stayed in Amsterdam for a time but whose legal status remained virtually the same, after their return to the colony. That situation changed when, in 1771, two Surinamese women, after a stay in the Republic, once back in Paramaribo, successfully claimed their liberty. Because of the unrest that arose among the planters of Suriname, the States General decided to restrict freedom. No longer would a slave servant in the Republic be freed immediately, but only after a stay of six months – a period that could also be extended by another six months. If he or she still lived in the Republic after that, he or she became truly free.

How long Anthony, Magdalena and Emanuel served at the Nieuwe Herengracht is not (yet) known. For the time being, we only know this Afro-Curaçao family from one document: the testament of the Portuguese-Jewish merchant Isaac Pardo. This document was drawn up a few months after their arrival in Amsterdam. With three witnesses, civil-law notary Johannes van de Brink travelled from his office on the Rokin to the Nieuwe Herengracht on 8 December 1783. Three instead of the usual two, because ’the testator is blind’, the notary noted at the end of the deed.

Isaac, Anthony, Magdalena and Emanuel had not been in Amsterdam that long, in September 1783 Isaac Pardo paid finta (tax) for the first time. He was taxed in the highest category and was therefore a rich man. After a long career as a merchant in Curaçao, he had decided to settle in the Republic. Perhaps he did so because of the better medical facilities. Pardo was old and by now blind, and probably largely dependent on his servants.

In his will Pardo stipulated that after his death the servant Anthony would be free and discharged from all ‘slave services’. He also instructed his children ’to provide Anthony, together with his wife Magdalena and their son Emanuel, as long as the Antony lives, with board and drink, as well as clothing and lodging in their homes’. For this they had to serve the next of kin ‘as they are at present at the service of the testator [Pardo]’. If either party, including Anthony and his family, no longer appreciated this service, Pardo’s sons had to pay Anthony 400 guilders annually. This yearly payment was not transferable to Magdalena – in case Anthony would die before. However, Magdalena and Emanuel would be allowed to return to Curaçao at the Pardo’s expense, and – very importantly – be made free.

It could be that this was the legal confirmation of an earlier agreement between Anthony, Magdalena and Isaac Pardo. As was the case earlier with the Afro-Curaçaoan Juan Francisco Ado, who arrived in Amsterdam in 1731 with Anna Levina Leendertsz, wife of the former governor of Curaçao and former alderman of Amsterdam Jan Noach du Fay. Even before leaving Curaçao, they had agreed that if the ‘slave could properly serve and guard her […] during the journey’, Ado would be granted his freedom in the Republic.

Isaac Pardo died a year and a half after drawing up his will; on 21 June 1785. He was buried at the Portuguese-Jewish cemetery in Ouderkerk aan de Amstel. A year later his ‘magnifique and distinguished’ household effects were sold. How the lives of Anthony, Magdalena and Emanuel went on, we do not know yet. Did they return to Curaçao? Or did they build their own lives in Amsterdam? Perhaps documents about them will turn up in the future in the archives of the Amsterdam notaries.

The last will of Isaac Pardo, Amsterdam, 8 december 1783. 

‘Wel broer neem jij twee zwarten meede?’

Op 12 juli 1683 ging in de Stadsschouwburg van Amsterdam het toneelstuk ‘De Belachelijke Jonker’ van Pieter Bernagie (1656-1699) in première. Het stuk is een hit en werd in de decennia daarna tientallen keren opgevoerd. Eén van de hoofdpersonen is Joris, die na een carrière van ruim dertig jaar in Azië terugkeert in Amsterdam. In de op een na laatste scene blijkt dat de VOC-veteraan naast goederen en mooie Aziatische kleren, ook twee zwarte bedienden heeft meegebracht, niet voor zichzelf maar voor een belangrijk heer: ‘Wel broer neem jij twee zwarten meede?’ vraagt zijn zus Neeltje aan Joris, ‘Ja, ’t is om aan een magtig Heer Te geeven, zy verstaan ’t geweer , Zy konnen danssen.’  Hoewel het hier om fictie gaat, laat het zien dat de praktijk van het meenemen en weggeven van bedienden een normaal verschijnsel was in de toenmalige Republiek. Zo hebben diverse mensen van Afrikaanse herkomst aan het hof van de Oranjes in Den Haag gewerkt, van wie een aantal als kind ‘cadeau’ werd gedaan aan het Hof.  

Ook in Amsterdam woonden zwarte kinderen in huishoudens. Zo werd op vrijdag 10 februari 1668 in de Oude Kerk Dominicus, “een swart out omtrent 10 a 12 jaar”, gedoopt die bij Claes Philipsoon op de Oude Waal woonde.  En op 16 juni 1673 werd in de Nieuwezijds Kapel Otto gedoopt, ‘een moor’, vernoemd naar Graaf Otto van Limburg Stierum, die zelf getuige was bij die doop.  In 1674 werd de 18-jarige Jan Pick van Angola vrijgemaakt door Alleta Hontum, weduwe van de in Brazilië geboren kapitein van het slavenschip De Prins Oranje te Paard, Laurens de Rasiére.

In de 18e eeuw bleef het meenemen van slaafgemaakte kinderen een veel voorkomend verschijnsel. Een voorbeeld is het Ghanese jongetje Presto, die later als Christiaan van de Vegt gedoopt zou worden. Hij kwam eerst aan het stadhouderlijk hof terecht en werkte later jarenlang bij burgemeester D’Arrest van Weesp in huis.

Collectie: Graphische Sammlung im Städelschen Kunstinstitut, Frankfurt am Main , inv./cat.nr 950

In deze tekening (1763) van een scene uit de Belachelijk Jonker door Jacob Buys uit de ‘Belachelijk Jonker’, zijn twee Zwarte jongens te zien. Waarschijnlijk dienden de bedienden aan het Haagse Hof Cupido en Sideron als model, twee slaafgemaakte kinderen ‘geschonken’ aan het hof.

Ontsnapt aan de Franse galeien

Het is redelijk bekend dat Noord-Afrikaanse schepen Europese slaven hadden. Maar dat was andersom ook het geval. Vier van hen werden na hun ontsnapping gastvrij ontvangen in Amsterdam. 

Amsterdam was in de zeventiende eeuw een stad met inwoners uit alle windstreken, maar dat een groepje van vier Turkse moslims op 23 december 1690 in het kantoor van notaris Dirk van der Groe verscheen was ook voor Amsterdamse begrippen bijzonder. Ibrahim, Alij, Saleh en Usein waren ex-slaven.  

In het notariskantoor vlakbij de Beurs legden zij een verklaring af, bijgestaan door de Armeniër Pieter Avet en Manuel de Sirach, die zowel Turks als Nederlands konden spreken. De klerk noteerde: “Ibrahim, Soon van Useijn, geboortich van Constantinopolen, achttien Jaaren slaaf geweest op de Franse galleijen; Alij, soon van Hassan, geboortig van Sinep, seven Jaaren Slaaf geweest op de Franse galleijen; Saleh, soon van Osman geboortigh van Larissa, twaalf jaaren Slaaff geweest op de zelfde Franse galleijen; mitsgaders Usein, soon van Hallil Janitzer, van Buda van geboorte, alle vier geboren onderdanen van den grooten Heer ende Mahumetanen van religie.” 

Lees het hele verhaal op: onsamsterdam.nl

Girl by a High Chair (1640) – Govert Flinck

Mauritshuis, Den Haag

This short piece is part of the new multimediatour in the Mauritshuis Museum and online (English and Dutch).

The Amsterdam elite of the seventeenth century were keen to have their portraits painted by the great masters of the day. This young girl was painted in 1640 by Govert Flinck, Rembrandt’s best pupil. The toddler, who’s adorned with gold, stands next to her high chair. Lying on the tray is some white sugar, still a luxury item in the mid-seventeenth century.

Did the child’s parents want to show that they were so wealthy they could give their child sugar as a treat? Or does it have a deeper significance? Does it possibly symbolise that her parents were involved in the sugar trade, like many Dutch people who were directly and indirectly involved in the trade and production of sugar at that time?

I don’t know. What I do know is that hiding behind that white sugar on the tray is a history of slavery and exploitation. It was the cultivation of sugar that had drawn the Dutch to Brazil. Thanks to the capture of the rich Brazilian province of Pernambuco, the Amsterdam sugar industry flourished in 1640. Every year, dozens of ships left the Dutch Republic to collect sugar from there.

Some of these ships sailed to Brazil via the west coast of Africa, where people were traded. Men, women and children were placed in the hold and transported to Brazil. After the gruelling journey, they were set to work on the plantations and in the sugar mills.

In the meantime, dozens of refineries appeared in Amsterdam where the sugar cane sap was refined into fine, white sugar, for this little girl to enjoy as a sweet.

De eerste zwarte Amsterdammers

In het kader van de Maand van de Geschiedenis verschenen in: GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 7 OKTOBER 2020

Wanneer de eerste personen van Afrikaanse afkomst zich in Amsterdam vestigden, is moeilijk vast te stellen. Wel bestaan er documenten die hun aanwezigheid bewijzen vanaf de late zestiende eeuw: in januari 1593 trouwde in de Oude Kerk Bastiaen Pietersz van ‘Maniconge in Afryken’ met de Amsterdamse weduwe Trijn Pieters. In de bronnen wordt hij ook wel ‘moriaan’ genoemd. Bastiaan was verversgezel en werkte dus in de lakenindustrie. In 1594 kreeg hij een dochter, Madelen, die werd gedoopt in de Nieuwe Kerk op de Dam, misschien wel het eerste in Amsterdam geboren Afro-Europese meisje. Bastiaen Pietersz was vrijwel zeker een vrije zwarte man afkomstig uit het koninkrijk Congo. In 1602 woonde hij nog altijd met zijn dochtertje in Amsterdam. In 1603 trouwde Abdon de Kuyper van het Afrikaanse eiland Sao Tomé in Amsterdam en legde bovendien de poortereed af; hij werd dus burger van de stad; dit is tot nu toe de enige poortereed van een zwarte migrant die is teruggevonden in Amsterdam.

Begraafboeken van Beth Haim

Deze twee mannen waren vrij, maar begin 17de eeuw kwamen ook steeds vaker onvrije zwarte bedienden naar de stad, vooral met Sefardische families uit Spanje en Portugal die op de vlucht voor geloofsvervolging naar de Republiek trokken. In de Algarve en Lissabon leefden toen duizenden mensen van Afrikaanse afkomst, zowel in vrijheid als in slavernij. Op de in 1614 gestichte Joodse begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel werd zelfs een aparte plek aangewezen als begraafplaats voor escravos (slaven), criados (bedienden) en moças (dienstmeisjes) die wel Joods, maar etnisch niet Portugees waren.

Ca. 1530, een geketende Afrikaan aan het werk, ergens in Castilië (uit het Trachtenbuch van Christoph Weiditz, collectie Germanisches Nationalmuseum Neurenberg).

In de 17de-eeuwse begraafboeken van Beth Haim zijn verschillende mensen van Afrikaanse afkomst te vinden. De term ‘slaaf’ werd slechts enkele keren gebruikt: ‘Op 28 [september 1617] werd een slavin van Abraham Aboaf begraven, achter de slavin van David Netto’. Later spreekt men van ‘negros’ of ‘mulatos’. Andere Joden van kleur werden in een reguliere afdeling ter aarde besteld. In dezelfde periode namen soms scheepskapiteinszwarte bedienden mee en werden ook de eerste schilderijen met zwarte bedienden geschilderd in Amsterdam. Zo ‘schonk’ de latere admiraal Jan van Galen Maria zijn vrouw een ‘morin’ genaamd Maria. Jan Pick van Angola diende in het huis van scheepskapitein Laurens Rasieres. Hij werd na Rasieres overlijden vrijgemaakt door diens weduwe Alleta Houtums. Dit terwijl de regels in Amsterdam eigenlijk anders luidden: formeel was slavernij er niet toegestaan. De boeken met ‘Keuren en Costumen’ (regels en gebruiken) van Amsterdam bevatten tenminste vanaf de jaren 1640 een bepaling over dit onderwerp; waarschijnlijk was dit door een toename van het aantal zwarte bedienden in de stad actueel geworden. Het artikel ‘Van den Staet ende conditie van persoonen’ stelt duidelijk: ‘Binnen der Stadt van Amstelredamme ende hare vrijheydt, zijn alle menschen vrij, ende gene Slaven.’ Het tweede artikel bepaalt dat wie tegen ‘haeren danck’ in slavernij werd gehouden, zich tot het gerechtshof kon wenden om de vrijheid te verkrijgen. Dit vroeg echter wel wat: je moest op de hoogte zijn van de wetgeving maar ook de mogelijkheid hebben om het huis te verlaten en een proces te beginnen. En als het dan gelukt was moest je ook ergens terecht kunnen voor onderdak en werk.

De zwarte bediende van deze anonieme Amsterdamse familie is naar het leven geschilderd (ca.1631 door Willem Duyster, Rijksmuseum Amsterdam).

In de praktijk blijkt in de 17de eeuw wel degelijk een groeiend aantal onvrije zwarte mensen in de stad geleefd te hebben, maar ook waren sommigen goed op de hoogte van de Amsterdamse wetten. Zo greep Juliana, die in 1656 uit Brazilië was meegenomen door suikerhandelaar Eliau de Burgos, deze kans aan om haar vrijheid te verkrijgen. We weten dat omdat de ontstemde De Burgos een verklaring opstelde met het oogmerk haar terug te krijgen. Er staat in dat hij van plan was te vertrekken naar de plantagekolonie Barbados en Juliana als bediende wilde meenemen. Zij was echter door Amsterdammers op haar rechten gewezen en had besloten bij hem weg te gaan, zonder tussenkomst van de autoriteiten.

Dit is het enig bekende portret van een zwarte man in de vroege Europese schilderkunst (door Jan Jansz Mostaert ca. 1525 gemaakt in Brussel). Misschien betreft het Christophle le More, een zwarte boogschutter in dienst van Karel V. Het Maria-insigne op de muts herinnert aan een pelgrimstocht naar Halle (Brabant), een favoriet pelgrimsoord van het Brusselse hof (Rijksmuseum Amsterdam).

Kleine kamertjes en kelderwoningen

Het aantal vrije en onvrije zwarte mensen in Amsterdam nam na 1630 sterk toe, blijkt uit de doop- en huwelijksregisters. Na de verovering van het noordoosten van Brazilië kwamen steeds vaker vrije zwarte zeelui in dienst van de WIC in Amsterdam. Ook namen repatrianten tot slaafgemaakte bedienden mee. Zo was omstreeks 1650 een gemeenschap ontstaan van rond de honderd personen van kleur die met elkaar optrokken. Zeelieden uit Angola, Kaapverdië en Brazilië gingen relaties aan met zwarte bedienden in de stad – in theorie vrij, maar in werkelijkheid niet altijd. Tussen 1630 en 1665 werden tientallen huwelijken gesloten waarbij beide partners van Afrikaanse afkomst waren. Bij dopen, meestal in de katholieke schuilkerk het Huis Mozes aan de Jodenbreestraat, op de plek waar nu de Mozes en Aäronkerk staat, brachten zij meestal getuigen uit de eigen gemeenschap mee.

Serie portretten door Wenzel Hollar, 1645. Hollar werkte toen in Antwerpen, en was eerder ook actief in Amsterdam. (Rijksmuseum Amsterdam)

Sommige echtparen speelden hierin duidelijk een belangrijke rol, zoals Pieter Claesz Bruijn van Brazilië en Lijsbeth Pieters van Angola. Na hun huwelijk in 1649 traden ze regelmatig als getuige op bij dopen van Afro-Nederlandse kinderen, onder wie Pieter, zoon van Alexander van Angola en Lijsbeth Dames en Catharina, dochter van Louis en Esperanza Alphonse.

We weten dat individuele zwarte zeelui vaak hun intrek namen bij dezelfde pensionhoudster of beddenverhuurster als hun witte collega’s. Een van hen, Anthoine Zanderts uit Angola, trouwde met de Duitse Agnietje Cornelisdr. die in de volkswijk de Jordaan bedden verhuurde in een zijsteegje in de Anjelierstraat. De meeste vrije zwarte Amsterdammers leefden net als zoveel andere arme migranten in de stad met meerdere gezinnen in kleine kamertjes en kelderwoningen. Of ze ook met witte families samenwoonden is niet bekend, wel dat er verschillende zwarte gezinnen woonden in de omgeving van Vlooienburg (het huidige Waterlooplein) en de Jodenbreestraat.

Rembrandt

Hoe keken de witte buurtgenoten aan tegen deze zwarte mensen? Zien we tekenen van discriminatie? Bronnenmateriaal hierover uit de 17de eeuw bestaat haast niet. Enkele snippers hebben we kunnen vinden: in oktober 1654 werd de Afro-Braziliaan Laurentius Lier opgepakt omdat hij op straat zijn degen had getrokken en er mee had gegooid omdat ‘eenige jongens hem na liepen’. Het zou heel goed kunnen dat Lier werd uitgescholden vanwege zijn huidskleur, maar helemaal zeker is het niet.

In een serie notariële verklaringen uit 1632 over een amokpartij waarbij zwarte mannen en vrouwen betrokken waren, wordt in uiterst negatieve termen over hen gesproken. De Portugese koopman Manuel Francisco, die boven hen woonde, stelde “dat hij de bovengemelde swarten ende swartinnen seer wel kent, ende vastelijck weet dat het een wilt ende stout volck is, die veel twist ende rumoer tegen ijedereen soecken”. Een andere Portugese koopman, noemde hen een “boos ende goddeloos volck”, en ga zo maar door. Waren dit individuele opvattingen over een bepaalde groep mensen, of resoneren hier ook duidelijk meer algemeen levende vooroordelen? Dat is moeilijk te beoordelen.

Een interessant voorbeeld betreft de in Brazilië geboren draaideurcrimineel David de Solis. die blijkens notariële akten een Portugees-Joodse vader en Afro-Braziliaanse moeder had. Hij was na het verlies van Nederlands-Brazilië in 1654 als klein jongetje met zijn joodse familie naar Amsterdam gekomen, waar hij zich zou ontwikkelen tot een oplichter. Zo dobbelde hij onder meer met valse stenen. Vanaf de late jaren 1660 werd hij regelmatig opgepakt en vastgezet onder het Stadhuis op de Dam. Hij komt dan ook veelvuldig voor in de confessieboeken van de schout, maar in geen van de gevallen wordt melding gemaakt van zijn (deels) Afrikaanse afkomst. Wel wordt regelmatig zijn joodse afkomst benadrukt. Wellicht had de schout meer last van antisemitische opvattingen dan van antizwart racisme.

Gerrit Dou, circa 1635 (Hannover, Niedersächsisches Landesmuseum)

In de Republiek gedrukte beschrijvingen van zwarte mensen na ca. 1660 laten al duidelijk stereotypes zien; zwarte mensen worden afgeschilderd als onderdanig wezens zonder eigen karakter. Alsof het besef was verdwenen dat het hier mensen met elk hun unieke persoonlijkheid betrof. De steeds negatievere beeldvorming ging hand in hand met de toename van de slavenhandel en de vestiging van plantagekoloniën in het noordoosten van Zuid-Amerika, met Suriname als de belangrijkste. Vlak voordat dit gebeurde, zijn echter enkele prachtige portretten van zwarte Amsterdammers gemaakt waarop ze zichzelf zijn, geen stereotype. Met zijn leerlingen schilderde Rembrandt in zijn studio aan de Jodenbreestraat namelijk naar het leven: de modellen liepen er over straat en woonden om de hoek.

Mark Ponte