Een dromedaris met twee bulten

In 1633 tekende Rembrandt een kameel en noemde het dier een dromedaris. Hij was niet de enige, Ernst Brinck (1582 – 1649) zag in 1635 in zijn woonplaats Harderwijk ook een dromedaris en die had ‘2 vleppen ofte vulten’ op zijn rug ‘soo dat men tusschen die beijde sitten konde’. Mogelijk was het dezelfde kameel, in die tijd werden er allerlei dieren van kermis naar kermis en van jaarmarkt naar jaarmarkt gesleept.

Beschrijving ‘dromedaris’ Ernst Brinck uit 1635.

Ernst Brinck schreef ook dat er 22 Noord-Afrikaanse kamelen naar het Caribische eiland Barbados werden gebracht om ze aldaar te houden en ermee te fokken. Dat laatste mislukte jammerlijk, de dieren kregen geen jongen op het eiland.

Ernst Brinck schrijft over kamelen voor Barbados.


#rembrandt #ernstbrinck

Anti-christelijke taal van een Turkse koopman op de Nieuwmarkt

AMSTERDAMSE AKTEN • 7 augustus 2023 • Door Mark Ponte

De Turkse koopman Mustaffa had schulden, liet zich kwalijk uit over christelijke zaken en bedreigde mensen. Stadgenoten rapporteren erover bij de notaris.

De Amsterdamse Notariele Akten uit de 17de en 18de eeuw geven unieke inkijkjes in het internationale karakter van de stad Amsterdam. In de omgeving van de Nieuwmarkt bevond zich een groep kooplieden, bestaande uit Grieken, Armeniërs, Turken en Italianen. Zij werden aangetrokken door de mogelijkheden op de Amsterdamse koopmansbeurs en verbleven voor korte of langere tijd in de handelsstad. Ze hadden een vaste stek op de beurs en ze woonden of logeerden onder meer op de Sint Antoniebreestraat ‘in de Persiaen’, in logementen in de Bethaniënstraat of op de Boomsloten, waar in de 18de eeuw de nog altijd bestaande Armeense kerk gebouwd werd.

De meeste van deze migranten kwamen uit de Levant, Turkije, Armenië of Iran, maar ze hadden nogal wisselende ‘identiteiten’ – de landsgrenzen van vandaag lagen vroeger anders. Zo identificeerde de uit Constantinopel afkomstige kruidenier Jean Gaston zich als ‘Armeniër’ en was de ‘Griek’ Jan Elias afkomstig uit Aleppo (zie Ons Amsterdam van februari 2023). Gaston gebruikte in zijn akten het Latijns schrift, Elias het Arabisch. 

Hun handelsnetwerken strekten zich dan ook uit rond de Middellandse Zee en verder langs de Zwarte Zee en Indische Oceaan, en ze waren bovendien verbonden aan eeuwenoude routes over land. Bij de Amsterdamse notarissen kwamen zij vooral langs om handelscontracten te tekenen, maar ook om verslag te doen van conflicten die zich regelmatig binnen de gemeenschap afspeelden. 

Zoals in 1656, rond de Turkse koopman Mustaffa. Die was dat jaar met handelswaar uit Venetië in Amsterdam aangekomen en hij had onderdak gevonden bij de Armeniër Gregorius Martinus op de Boomsloot. Op verzoek van de laatste vertellen Jan Elias, ‘Grieks coopman’, Juanni Jacob, Tatos Baba, Demetry Augustus en Joannes Petri op 5 december 1656 bij de notaris in aanwezigheid van Sirkis Bogos, ‘tolck van de Asiatische taelen’, dat zij erbij waren toen Gregorius enkele maanden eerder ‘met Mustaffa Turck afreeckende van eenige penningen, die de requirant met Mustaffa tot zijne noodige onderhout & montcosten hijer ter landen t’sedert zijne comste van Venetien verstreckt hadde’.

Lees verder

Pieter Claesz Bruijn and Lijsbeth Pieters

Published in: ‘Black in Rembrandt’s Time’, 2020.

In the archives, we often stumble across fragments of human lives: declarations, authorizations, or contracts that demonstrate the existence of a person otherwise absent from the historical record. Many thousands of Amsterdam men took to the sea in the service of the Dutch East India Company (VOC), Dutch West India Company (WIC), or merchant marine. This undoubtedly also applies to black Amsterdammers. Some of them probably never visited a public notary or served as a godparent at a baptism. For a few of them, some traces of their lives have been preserved. A case in point is the married couple Lijsbeth Pieters of Angola and Pieter Claesz Bruijn of Brasil.

Marriage bann of Pieter Claes Bruyn from Brazil and Lijsbeth Pieters from Angola, 6 November 1649.

Shortly before four o’clock on 23 March 1640, Pieter Claesz Swart of Brasil entered the office of Henrick Schaeff, behind WIC headquarters on Haarlemmerdijk, accompanied by Willem de Keijser of Middelburg. Schaeff was both a notary and a clerk for the WIC, and the boundary between his two roles was often blurred. Thousands of sailors on the verge of departing for the Atlantic region – territories ranging from West Africa and Brazil to New Amsterdam and North America – visited him for various purposes, such as signing letters of debt to the many local innkeepers, thus pledging away much of their pay. Both Pieter and Willem worked for the WIC, and they had accumulated debts of 50 and 100 guilders respectively to Jan Pietersz Santdrager and his wife Anna Jansz in Amsterdam.

De Hollandse Tuyn and other ships have returned from Brazil under the command of Paulus van Caerden, painting by Hendrick Vroom.

Pieter Claesz Swart was a man of colour. He was a bosschieter – an able seaman – from Brazil, and in 1640 he was about to embark on a new voyage on the WIC yacht Goerree. One of the two notarial deeds that Pieter Claesz signed that day describes him as speaking the Dutch language proficiently. Four years later, Pieter Claesz was back in Amsterdam, where he again accumulated a debt to the keeper of a hostelry in the Jordaan district, this time amounting to no less than 124 guilders, easily a year’s salary for a seaman. This time, interestingly, he is referred to as Peter Claesz Bruijn van Brazilië. (Swart means ‘Black’ and Bruijn means ‘Brown’.) This is the name under which he was later known. In January 1644, he went to sea again, this time on the WIC vessel Mauritius.

Map of Vlooienburg / Jodenbreestraat Area, 6 is House Moyses, 7 Rembrandt’s studio.

At that time, Pieter Claesz was not yet in touch with the small black community around Jodenbreestraat. He accumulated his debts in inns for white people, and the witnesses to his notarial deeds were white. By the late 1640s and 1650s, this situation had changed. In November 1649, when Pieter Claesz was 44 years old, he registered to marry to Lijsbeth Pieters of Angola, whom the notarial deed listed as living in Jodenbreestraat. He probably moved in with her. It is not clear whether he returned to sea after that or remained in Amsterdam. What we do know is that he was in Amsterdam in 1659. In August and October he was a witness to the baptisms of black children in the Catholic house church in the Huis Moyses in Jodenbreestraat. The first of these children, Pieter – undoubtedly named after Pieter Claesz – was the son of Alexander van Angola and Lijsbeth Dames. The second child – Catharina – was the daughter of Louis and Esperanza Alphonse. That same day, Nicolaus, the son of Emanuel and Branca Alphonse, was also baptized. The witness was Lijsbeth Pieters. She had also acted as a witness a few years earlier, in 1657, at the baptism of that couple’s first child Lucretia, as well as for Lucia, the daughter of Bastiaan and Maria Ferdinandes. These are all names of people from the small black community in and around Jodenbreestraat, of which Pieter and Lijsbeth had become important members.

How to cite: Mark Ponte, ‘Pieter Claesz Bruijn and Lijsbeth Pieters’, in: Elmer Kolfin and Epco Runia ed., Black in Rembrandt’s Time, W Books / The Rembrandt House Museum, Amsterdam 2020, 60-61.

Een slaafgemaakte familie in Amsterdam


In 1783 werden Anthony, zijn vrouw Magdalena en hun zoontje Emanuel vanuit Curaçao naar Amsterdam meegenomen. Daar kwamen zij terecht in een woning aan de Nieuwe Herengracht, het huidige nummer 105. Anthony was de persoonlijke bediende van de oude koopman Isaac Pardo. Ook Magdalena werkte als bediende. Hoe oud Emanuel was en of hij ook moest werken is niet bekend. Anthony en zijn familie leefden op Curaçao in slavernij, in Amsterdam was hun status niet zo duidelijk.

Pesachmaaltijd bij de Familie Nunes da Costa aan de Nieuwe Herengracht 49. Bernard Picart, 1725 (Amsterdam Museum)

Lees het verhaal op alleamsterdamseakten.nl

‘Wel broer neem jij twee zwarten meede?’

Op 12 juli 1683 ging in de Stadsschouwburg van Amsterdam het toneelstuk ‘De Belachelijke Jonker’ van Pieter Bernagie (1656-1699) in première. Het stuk is een hit en werd in de decennia daarna tientallen keren opgevoerd. Eén van de hoofdpersonen is Joris, die na een carrière van ruim dertig jaar in Azië terugkeert in Amsterdam. In de op een na laatste scene blijkt dat de VOC-veteraan naast goederen en mooie Aziatische kleren, ook twee zwarte bedienden heeft meegebracht, niet voor zichzelf maar voor een belangrijk heer: ‘Wel broer neem jij twee zwarten meede?’ vraagt zijn zus Neeltje aan Joris, ‘Ja, ’t is om aan een magtig Heer Te geeven, zy verstaan ’t geweer , Zy konnen danssen.’  Hoewel het hier om fictie gaat, laat het zien dat de praktijk van het meenemen en weggeven van bedienden een normaal verschijnsel was in de toenmalige Republiek. Zo hebben diverse mensen van Afrikaanse herkomst aan het hof van de Oranjes in Den Haag gewerkt, van wie een aantal als kind ‘cadeau’ werd gedaan aan het Hof.  

Ook in Amsterdam woonden zwarte kinderen in huishoudens. Zo werd op vrijdag 10 februari 1668 in de Oude Kerk Dominicus, “een swart out omtrent 10 a 12 jaar”, gedoopt die bij Claes Philipsoon op de Oude Waal woonde.  En op 16 juni 1673 werd in de Nieuwezijds Kapel Otto gedoopt, ‘een moor’, vernoemd naar Graaf Otto van Limburg Stierum, die zelf getuige was bij die doop.  In 1674 werd de 18-jarige Jan Pick van Angola vrijgemaakt door Alleta Hontum, weduwe van de in Brazilië geboren kapitein van het slavenschip De Prins Oranje te Paard, Laurens de Rasiére.

In de 18e eeuw bleef het meenemen van slaafgemaakte kinderen een veel voorkomend verschijnsel. Een voorbeeld is het Ghanese jongetje Presto, die later als Christiaan van de Vegt gedoopt zou worden. Hij kwam eerst aan het stadhouderlijk hof terecht en werkte later jarenlang bij burgemeester D’Arrest van Weesp in huis.

Collectie: Graphische Sammlung im Städelschen Kunstinstitut, Frankfurt am Main , inv./cat.nr 950

In deze tekening (1763) van een scene uit de Belachelijk Jonker door Jacob Buys uit de ‘Belachelijk Jonker’, zijn twee Zwarte jongens te zien. Waarschijnlijk dienden de bedienden aan het Haagse Hof Cupido en Sideron als model, twee slaafgemaakte kinderen ‘geschonken’ aan het hof.

Maria werd Hester

Ongehuwde dienstbode bekeerde zich tot het Jodendom

In 1713 tekenen notaris Johannes Vilekens en de Amsterdamse schout het verhaal op van Hester Kelder uit Den Haag, net bevallen van een zoon. Ze had zich bekeerd tot het jodendom, maar de schout twijfelde aan haar motieven.

Amsterdam kent vanaf de 17de eeuw een grote en hechte joodse gemeente. Niet iedereen blijft het joodse geloof echter trouw: wie de archieven van de Hervormde Kerk erop naslaat, ziet dat bekeringen tot het christendom geregeld voorkomen, iets wat de autoriteiten niet onwelgevallig was. Andersom gebeurde ook, maar veel minder: het was joodse Amsterdammers verboden om christenen actief te bekeren.

Hester Kelder, een ongehuwde dienstmeid die was bevallen van een zoontje, was katholiek ­gedoopt, maar had zich tot het jodendom bekeerd. Notaris Johannes van Vilekens, die praktijk hield in de Sint Antoniesbreestraat, tekende op 30 juni 1713 met de schout haar verhaal op, waarna ze vervolgens in de ‘boeien’, de cellen onder het stadhuis op de Dam, werd opgesloten om daar verder te worden verhoord. Door die verhoren en andere notariële akten kunnen we het leven van deze bekeerlinge tot aan haar ­arrestatie enigszins reconstrueren.

Niet tot inkeer

Begin juni 1713 zijn Hesters zuster Lijsbeth en haar moeder Maria Jans naar Amsterdam ­gereisd om een verklaring over de bekering van Hester vast te leggen, waarschijnlijk in een ­poging strafvervolging te voorkomen. Hester heeft in Den Haag eerst bij Mozes Antunes en later bij Joseph Capadoce gewerkt. Ze was van katholieken huize, zo blijkt uit de verklaring, en gedoopt met de naam Maria, maar ze blijkt enige jaren voor het verhoor te zijn overgegaan op het jodendom en de naam Hester te hebben aangenomen. Pogingen om haar tot inkeer te brengen, bleken vruchteloos; Hester zou gezegd hebben ‘dat sij begeerde joods te worden ende dat haer niemant daer van konde afraeden’.

Zus Lijsbeth heeft gehoord hoe de bekering was gegaan: ‘dat wanneer sij het joodsche geloof aannam, sij in een badt is gebaat volgens het ­gebruijk van die natie.’ Uit het verhoor van de schout blijkt verder dat Hester niet voor de eerste keer een kind heeft gekregen. Tien jaar eerder, zo vertelt ze, is zij bevallen van een kind dat na korte tijd was gestorven, doordat ‘de min het zelve slaapkruit heeft in gegeven’.

De vader van dat kind zou Salomon Verst zijn geweest, de knecht in het huis van haar werk­gever Joseph Capadoce. Enkele jaren later, rond 1707, is Hester naar Amsterdam vertrokken om als min te werken in het huis van Isacq da Rocha op de Nieuwe Herengracht.

Besnijdenis

In 1713 was zij dus opnieuw ongehuwd zwanger. Van wie precies leek Hester geheim te willen houden. Ze heeft het over een joodse man genaamd Joseph, wiens achternaam ze zegt niet te kennen. Bovendien heeft ze geen idee waar hij op dat moment is.

Een besnijdenis in Amsterdam, door Romeyn de Hooghe (1665-1668) Rijksmuseum

De schout gelooft er niets van. Hij denkt dat Isacq da Rocha de vader is. Is hij het niet die haar naar de vroedvrouw heeft gebracht? Hester ontkent. Wel vertelt ze dat zij op 24 mei inderdaad bij die vroedvrouw, de echtgenote van Eliezer Asser, is bevallen van een jongetje. Ze is die dag, toen de weeën waren begonnen (‘met de arbeyd op het lijf’), zelf uit het huis van Da Rocha naar dat van Asser gegaan.

Twee of drie dagen later is Da Rocha met de ­gebroeders Bueno op bezoek gekomen. Heeft Da Rocha toen bepaald dat het kind op de achtste dag besneden zou worden? Nee, zegt Hester: dat heeft zij zelf gedaan. De schout is kennelijk goed geïnformeerd, want hij vraagt – retorisch – of de mensen in het huis van Asser Da Rocha bij zijn bezoek niet geluk hebben gewenst ‘met zijn jong geboren zoon’? Hester ‘segt sulks niet gehoord te hebben.’

Als het kind op de achtste dag besneden zal worden, proberen de autoriteiten dat tegen te houden. Hester wordt aangezegd dat zij het huis niet mag verlaten. Isacq Da Rocha zou daarna samen met zijn broer en de twee broers Bueno toch hebben geprobeerd het kind mee te nemen voor een besnijdenis.

5473 … 1 ab … 1713: hum f[ilh]o de Ester …. Daniel

In het besnijdenisboek van David de Abraham Bueno de Mesquita, dat zich in het Archief van de Portugees Israëlische Gemeente in het Stadsarchief bevindt, wordt op 1 Ab (24 juli) 1713 vermelding gemaakt van de besnijdenis van Daniel een zoon van Ester. Een achternaam wordt niet genoemd, maar dit is ongetwijfeld de zoon van Hester Kelder geweest.

Uit vrije wil

Over haar bekering tot het jodendom is Hester zeer stellig. Op de vraag wie haar bij het verzaken van haar geloof ‘geraden en verleid’ heeft, antwoordt ze: niemand. Ze heeft dat ‘uit haar vrije wil gedaan’. Nadat zij binnen de ­Portugees-joodse gemeenschap te kennen heeft gegeven dat ze joods wilde worden, werd ze bij een vrouw en drie mannen gebracht: het echtpaar Jacob de Moseh Pereira en Abigael Machado, dokter Borges en ene Machado – misschien Jacob Hiskia Machado.

Jacob Pereira is in 1706 met Abigael getrouwd; hij woonde toen op de Anthoniesbreestraat en Abigael kwam net als Hester uit Den Haag, zij moet ongeveer in dezelfde tijd als Hester in ­Amsterdam terecht zijn gekomen. Het is Abigael, bij wie Hester het rituele bad had ondergaan.

In 1713 blijkt Hester dus nog altijd overtuigd van haar keuze. Als de schout vraagt of ze geen wroeging voelt, omdat zij ‘op godlooze wijze’ de christelijke religie heeft verzaakt en ‘soo ligtvaardig de joodse religie heeft aangenomen’, antwoordt ze ‘dat zij, in de paapse religie op­gevoet sijnde, in de afgoden niet langer wilde geloven’.

En op de vraag of ze zich niet eigenlijk bekeerd heeft, omdat ze ‘in haar ontugtig en hoerig ­leven’ door de Joden beter ‘onderhouden’ zou worden, zegt ze stellig ‘neen’. Op 12 juli 1713 wordt Hester voor zes jaar uit de stad verbannen. Wat er van haar en haar zoontje geworden is, is niet bekend. Het is waarschijnlijk dat ze naar Den Haag zijn teruggekeerd.

Versies van dit artikel verschenen in Ons Amsterdam en Het Parool. Met dank aan Ton Tielen die mij de scan uit het besnijdenisboek van David de Abraham Bueno de Mesquita stuurde.

Black History Month

During #BlackHistoryMonth everyday a tweet about Amsterdam’s Black History.

1 – Franciscus Thomas from Sierra Leone

Image

On 1 february 1698 Franciscus Thomas from ‘Sierra Liona in Africa’ and Truijtje Hendricx from Amsterdam posted their banns in Amsterdam. Two weeks later they married in the Old Church. Franciscus Thomas was working as a ‘droogscheerder’ in the textile industry. He lived in the Egelantierstraat in de Jordaan area. #1

2 – Francisco from Angola – ensign in Brazil

Image

Francisco from #Angola was a vaandrig (ensign) in the Dutch army in #Brazil, after the Portuguese takeover in 1654, he settled in #Amsterdam, where he lived in the Jodenbreestraat on the corner of the Markensteeg, ‘under the angel’. He died in January 1659. #2

3 – Alida Clara Carles from Berbice

Image

On 25 December 1784 Alida Clara Karles/ Charles was buried at St Anthonies Cemetery in #Amsterdam. She was born in the Dutch colony of #Berbice, her mother was the free black woman Quassiba. Together with her husband she ran a bar in Pieter Jacobszdwarsstraat. #3

4 – Swarte Klaas

Image

‘Swarte Klaas’ (Black Klaas) was a famous street figure in #Amsterdam in the 18th century. Klaas was a Black man who had lost his legs, maybe as a sailor. He was portrayed by different artists. Klaas died around 1800 in Amsterdam. #4

Image
Image

5 – Pieter Claesz Bruin and Lijsbeth Pieters

In 1649 44-year old sailor Pieter Claesz Bruin from Brazil married Lijsbeth Pieters from Angola. They were an important couple in the small black community around de Jodenbreestraat in Amsterdam. They were the godparents of different Black children born in the area. Like Pieter, the son of Alexander van Angola and Lijsbeth Dames and Catharina, the daughter of Louis and Esperanza Alphonse. The children were baptized in the House Moyses.

Read more about Pieter Claesz Bruijn and Lijsbeth Pieters in ‘Black in Rembrandt’s Time‘ and in Dutch in TSEG.

Image

6 – Francisca

In the 1630’s Francesca clearly played a important role in the the formation of a Black community in #Amsterdam. According witnesses, Francisca would ‘receive in her house all the black men who come to this city.’

7 – Theatre

"Dito voor drie morijanen in Salomon f3"

Monday 11 April 1650 three Black men were paid a guilder each to perform in the play ‘Salomon’ in the Municipal Theatre. Unfortunately their names were not registered, but entries like this show that Black people performed in theatre in C17th Amsterdam. The anonymous performers were almost certainly members of the same community as Pieter Claesz Bruin and Lijsbeth Pieters.

Image

They were ‘extras’ in the play, but were paid considerably more than the 10 soldiers in ‘De gestrafte kroonzught’ (La crueldad por el honor) later that month. The 10 soldiers had to share 3 guilders, earning only 6 nickels each.

Image

8 – Louis Zamore van Wicky

Image

This is Louis Zamore van Wicky (1778-1805) hours before his early death in #Amsterdam in 1805. Louis Zamore was a draughtsman born in the plantation colony of #Berbice (now part of #Guyana).

Image

Louis was the son of a Black woman and plantation owner Emanuel de Correvont. The name of his mother is unknown. He had a sister in the Netherlands named Lisette, who is almost certainly watching over het brother’s deathbed in this drawing.

Image

In 1802, Louis Zamore enrolled at Municipal Drawing Academy. He was a student of painter Jurriaan Andriessen and lived with the Andriessen family. In July 1805, Louis suddenly contracted a severe fever and died two days later. He was buried at the Zuiderkerkhof cemetery.

Image

As far as I know, no artworks by Louis Zamore van Wicky are known. Zamore van Wicky was one of the main characters in the @Stadsarchief exhibition ‘Amsterdammers and slavery’ in the summer of 2020.

9 – The Charles Family

Maria Santje Charles (1838-1914) and Hendrik van Guinea Charles (1827-1899). Maria and Hendrik were children of Johannes Charles (1793-1872), survivor of the transatlantic slave trade.

Their father was born in (present day) Ghana, as a child he was captured, enslaved and taken to Suriname, where he was sold to a merchant. In 1817, J. Charles was emancipated to move to the Netherlands as the servant of Majorin Elisabeth Bijval, herself born in slavery in 1776.

Majorin Elisabeth Bijval was a sister of Jacob Beeldsnijder Matroos. Jacob Beeldsnijder Matroos is buried at the @OudeKerkAMS on September 27, 1817.

Johannes Charles had to leave his two-year old son Gideon and hist wife Charlotte in Suriname, where they lived in slavery until januari 1863. Half a year before the legal abolition of slavery in the Dutch colony.


In the Netherlands, Johannes Charles married Elisabeth van Eijbergen from Rotterdam. They settled in Amsterdam and had ten children. Thanks to several letters that survived, we know that Gideon, who was left behind in Suriname, was in touch with his family in The Netherlands.

A few years ago the Charles Family brought Gideon’s letters, some of them written when he was still enslaved, the photo’s and othere family documents to the @stadsarchief. The letters are digitized and are available for research.

10 – Dominicus

Image

On 10 February 1668 Dominicus, “a Black out about 10 or 12 years of age”, was baptized in de Oude Kerk in #Amsterdam. Dominicus lived with Claes Philipsoon on Oude Waal.

Image

We don’t know much about Dominicus. Was he brought to the city as an enslaved child? Was he a child servant in the house of Claes Philipsoon? Like this boy in Haarlem, painted by Frans Hals?

Image


On the same day in the same church a son of Jan Six was baptized, in presence of mayor Nicolaas Tulp his grandfather. Both Jan Six and Nicolaas Tulp were painted by Rembrandt, mother Margareta Tulp by Govert Flinck. Did they see Dominicus in the church that day? What did Dominicus think?


De Portugees-Joodse schilder Abraham Mendes (ca. 1613-1684)

In de verbrande protocollen van notaris Benedict Baddel (1594-1658) kwam AAA-vrijwilliger Freek van Eeden afgelopen december een machtiging uit 1639 tegen van de onbekende schilder Abraham Mendes. In de notariële akte machtigde Mendes Manuel Nunes in een gerechtelijke procedure bij de Commissarissen van Kleine Zaken in Amsterdam. Wie was deze schilder van Portugees-Joodse afkomst?

Er zijn niet veel Joodse schilders uit het Amsterdam van de zeventiende eeuw bekend. De bekendste is Samuel d’Orta die een etsplaat met daarop Abrahams verstoting van Hagar en Ishmael kocht van Rembrandt. D’Orta kocht de plaat op voorwaarde dat Rembrandt zelf geen afdrukken meer van zou verkopen, kennelijk vertrouwde hij Rembrandt niet en liet er op 17 december 1637 een notariële verklaring over opstellen. Net als de machtiging van Abraham Mendes gebeurde dit bij notaris Benedict Baddel. De uit Geneve afkomstige Baddel had, waarschijnlijk vanwege zijn talenkennis, veel Portugees-Joodse klanten. Doordat de akten van Baddel ernstig beschadigd zijn bij de stadhuisbrand in 1762, is er tot nu toe minder onderzoek in deze akten gedaan dan veel andere notarissen uit de zeventiende eeuw. In 1639 klopte dus ook schilder Abraham Mendes bij deze notaris aan.

Lees verder op Alle Amsterdamse Akten

Johanna van Mallacka

Op 17 december 1716 werd tijdens de vergadering van de Kerkenraad Johanna ‘binnen gestaan’ met het verzoek om ‘nopens haar goet gedragh’ te mogen worden gedoopt. Johanna was, zo schrijft de notulist, ‘een Indiaansche doghter van Mallaca eertijds genaamt Grasia’.

Kerkenraadsnotulen Hervormde Kerk, 17 december 1716

Nadat zij werd ondervraagd over het geloof werd haar verzoek toegestaan en enkele dagen later, op 23 december, werd zij in de Nieuwe kerk gedoopt.

Image
Doopinschrijving in de Nieuwe Kerk

De slaafgemaakte Grasia was door Anton Bitter en Appolonia Coisaart meebracht naar de Republiek, zoon en schoondochter van de door Leonard Blussé beroemd geworden jurist Joan Bitter. Of Johanna na haar doop als dienstbode bij de familie Bitter in huis bleef, een eigen leven in Amsterdam heeft opgebouwd of is teruggekeerd naar Azië is nog niet bekend.