Tappen voor een toekomst

AMSTERDAMSE AKTEN • 1 juni 2022 • Door Maarten Hell en Mark Ponte

In de 18de eeuw stonden enkele Surinaamse tapsters achter de toog in Amsterdam, zo blijkt uit de administratie van het Spinhuis. De vrouwen probeerden met drankverkoop en het aanbieden van logies het hoofd boven water te houden.  

‘Over de veertien honderd tappers’ telde Amsterdam in de tweede helft van de 18de eeuw, zo becijferde de anonieme auteur van de roman Ongelukkige levensbeschrijving van een Amsterdammer uit 1775. Als frequent en fervent bezoeker van de stedelijke stamtafels maakte hij daarmee een correcte inschatting van het toenmalige drankhuizenbestand. In diezelfde roman klaagt een nukkige grijsaard dat er ‘geen negotie [is] waar wat winning op is, of het is in handen van vreemdelingen, zoals het geval is bij de zielverkopers, tappers, logementhouders, tabakskopers’.  

Lees het hele verhaal op OnsAmsterdam.nl

Maria werd Hester

Ongehuwde dienstbode bekeerde zich tot het Jodendom

In 1713 tekenen notaris Johannes Vilekens en de Amsterdamse schout het verhaal op van Hester Kelder uit Den Haag, net bevallen van een zoon. Ze had zich bekeerd tot het jodendom, maar de schout twijfelde aan haar motieven.

Amsterdam kent vanaf de 17de eeuw een grote en hechte joodse gemeente. Niet iedereen blijft het joodse geloof echter trouw: wie de archieven van de Hervormde Kerk erop naslaat, ziet dat bekeringen tot het christendom geregeld voorkomen, iets wat de autoriteiten niet onwelgevallig was. Andersom gebeurde ook, maar veel minder: het was joodse Amsterdammers verboden om christenen actief te bekeren.

Hester Kelder, een ongehuwde dienstmeid die was bevallen van een zoontje, was katholiek ­gedoopt, maar had zich tot het jodendom bekeerd. Notaris Johannes van Vilekens, die praktijk hield in de Sint Antoniesbreestraat, tekende op 30 juni 1713 met de schout haar verhaal op, waarna ze vervolgens in de ‘boeien’, de cellen onder het stadhuis op de Dam, werd opgesloten om daar verder te worden verhoord. Door die verhoren en andere notariële akten kunnen we het leven van deze bekeerlinge tot aan haar ­arrestatie enigszins reconstrueren.

Niet tot inkeer

Begin juni 1713 zijn Hesters zuster Lijsbeth en haar moeder Maria Jans naar Amsterdam ­gereisd om een verklaring over de bekering van Hester vast te leggen, waarschijnlijk in een ­poging strafvervolging te voorkomen. Hester heeft in Den Haag eerst bij Mozes Antunes en later bij Joseph Capadoce gewerkt. Ze was van katholieken huize, zo blijkt uit de verklaring, en gedoopt met de naam Maria, maar ze blijkt enige jaren voor het verhoor te zijn overgegaan op het jodendom en de naam Hester te hebben aangenomen. Pogingen om haar tot inkeer te brengen, bleken vruchteloos; Hester zou gezegd hebben ‘dat sij begeerde joods te worden ende dat haer niemant daer van konde afraeden’.

Zus Lijsbeth heeft gehoord hoe de bekering was gegaan: ‘dat wanneer sij het joodsche geloof aannam, sij in een badt is gebaat volgens het ­gebruijk van die natie.’ Uit het verhoor van de schout blijkt verder dat Hester niet voor de eerste keer een kind heeft gekregen. Tien jaar eerder, zo vertelt ze, is zij bevallen van een kind dat na korte tijd was gestorven, doordat ‘de min het zelve slaapkruit heeft in gegeven’.

De vader van dat kind zou Salomon Verst zijn geweest, de knecht in het huis van haar werk­gever Joseph Capadoce. Enkele jaren later, rond 1707, is Hester naar Amsterdam vertrokken om als min te werken in het huis van Isacq da Rocha op de Nieuwe Herengracht.

Besnijdenis

In 1713 was zij dus opnieuw ongehuwd zwanger. Van wie precies leek Hester geheim te willen houden. Ze heeft het over een joodse man genaamd Joseph, wiens achternaam ze zegt niet te kennen. Bovendien heeft ze geen idee waar hij op dat moment is.

Een besnijdenis in Amsterdam, door Romeyn de Hooghe (1665-1668) Rijksmuseum

De schout gelooft er niets van. Hij denkt dat Isacq da Rocha de vader is. Is hij het niet die haar naar de vroedvrouw heeft gebracht? Hester ontkent. Wel vertelt ze dat zij op 24 mei inderdaad bij die vroedvrouw, de echtgenote van Eliezer Asser, is bevallen van een jongetje. Ze is die dag, toen de weeën waren begonnen (‘met de arbeyd op het lijf’), zelf uit het huis van Da Rocha naar dat van Asser gegaan.

Twee of drie dagen later is Da Rocha met de ­gebroeders Bueno op bezoek gekomen. Heeft Da Rocha toen bepaald dat het kind op de achtste dag besneden zou worden? Nee, zegt Hester: dat heeft zij zelf gedaan. De schout is kennelijk goed geïnformeerd, want hij vraagt – retorisch – of de mensen in het huis van Asser Da Rocha bij zijn bezoek niet geluk hebben gewenst ‘met zijn jong geboren zoon’? Hester ‘segt sulks niet gehoord te hebben.’

Als het kind op de achtste dag besneden zal worden, proberen de autoriteiten dat tegen te houden. Hester wordt aangezegd dat zij het huis niet mag verlaten. Isacq Da Rocha zou daarna samen met zijn broer en de twee broers Bueno toch hebben geprobeerd het kind mee te nemen voor een besnijdenis.

5473 … 1 ab … 1713: hum f[ilh]o de Ester …. Daniel

In het besnijdenisboek van David de Abraham Bueno de Mesquita, dat zich in het Archief van de Portugees Israëlische Gemeente in het Stadsarchief bevindt, wordt op 1 Ab (24 juli) 1713 vermelding gemaakt van de besnijdenis van Daniel een zoon van Ester. Een achternaam wordt niet genoemd, maar dit is ongetwijfeld de zoon van Hester Kelder geweest.

Uit vrije wil

Over haar bekering tot het jodendom is Hester zeer stellig. Op de vraag wie haar bij het verzaken van haar geloof ‘geraden en verleid’ heeft, antwoordt ze: niemand. Ze heeft dat ‘uit haar vrije wil gedaan’. Nadat zij binnen de ­Portugees-joodse gemeenschap te kennen heeft gegeven dat ze joods wilde worden, werd ze bij een vrouw en drie mannen gebracht: het echtpaar Jacob de Moseh Pereira en Abigael Machado, dokter Borges en ene Machado – misschien Jacob Hiskia Machado.

Jacob Pereira is in 1706 met Abigael getrouwd; hij woonde toen op de Anthoniesbreestraat en Abigael kwam net als Hester uit Den Haag, zij moet ongeveer in dezelfde tijd als Hester in ­Amsterdam terecht zijn gekomen. Het is Abigael, bij wie Hester het rituele bad had ondergaan.

In 1713 blijkt Hester dus nog altijd overtuigd van haar keuze. Als de schout vraagt of ze geen wroeging voelt, omdat zij ‘op godlooze wijze’ de christelijke religie heeft verzaakt en ‘soo ligtvaardig de joodse religie heeft aangenomen’, antwoordt ze ‘dat zij, in de paapse religie op­gevoet sijnde, in de afgoden niet langer wilde geloven’.

En op de vraag of ze zich niet eigenlijk bekeerd heeft, omdat ze ‘in haar ontugtig en hoerig ­leven’ door de Joden beter ‘onderhouden’ zou worden, zegt ze stellig ‘neen’. Op 12 juli 1713 wordt Hester voor zes jaar uit de stad verbannen. Wat er van haar en haar zoontje geworden is, is niet bekend. Het is waarschijnlijk dat ze naar Den Haag zijn teruggekeerd.

Versies van dit artikel verschenen in Ons Amsterdam en Het Parool. Met dank aan Ton Tielen die mij de scan uit het besnijdenisboek van David de Abraham Bueno de Mesquita stuurde.

Anthony, een zwarte jongen tijden de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog

Rond 1770 leefde in Amsterdam ‘Swarte Klaas’, een zwarte bedelaar zonder benen, vooral bekend doordat hij werd afgebeeld op een populaire prent uit die tijd. De prent maakt onderdeel uit van een serie prenten van straatfiguren en bedelaars die werkelijk geleefd hebben, getekend door Pieter Barbiers en in prent gebracht door Pieter Langendijk. Swarte Klaas is ook op een prent van de Nieuwe Stadsschouwburg aan het Leidseplein te zien, uitgegeven in 1775. Over de herkomst en identiteit van Klaas is nog weinig bekend. Misschien was hij een afgezwaaide zeeman, die op zee zijn benen verloren was. Zoals de zwarte jongen Anthony, die zijn beide onderbenen verloor tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.

Lees verder op AlleAmsterdamseAkten.nl

Bedreigingen op de beurs

Jacob di Assatur trok in 1714 naar de Beurs om Johannes di Avetick met zijn degen ‘den hals te breecken’: een ruzie tussen de twee Armeense handelaren was hoogopgelopen.

Armeniërs vormden vanaf de vroege 17de eeuw een kleine maar duidelijk zichtbare bevolkingsgroep in Amsterdam, zeker voor wie regelmatig de beurs bezocht. Zij werden ook wel ‘Persianen’ genoemd, omdat sommigen uit de stad Isfahan in Perzië, het huidige Iran, kwamen.

Portret van een Armeense man met een boek, Amsterdam, 18e eeuw, anoniem. Collectie: Mekharitarist Monastary of San Lazzaro, Venice.
Gepubliceerd in: Sehouh Aslanian, ‘The Cultural FLourishing of the Armenian Communities in India and Around the Indian Ocean (…)’

Deze Persianen waren handelaars, actief in de Levantse handel, de handel op het oosten van de Middellandse Zee. Armeniërs waren van oudsher nuttige tussenpersonen tussen de christelijke en de islamitische wereld. Ze werden daarom ook in Amsterdam gewaardeerd. De eerste Armeense bijbel is in 1668 in Amsterdam gedrukt; ook introduceerden zij de koffie in de stad, voordat die grootschalig op plantages in het Caribisch gebied verbouwd ging worden.

Image

De Armeniërs hadden een eigen plekje op de Beurs, blijkt uit 18de-eeuwse plattegronden. Tussen pilaar twaalf en dertien stonden de ‘Persiaanen’ naast de ‘Fabriceurs in zijde en manufacturen’. (Beeldbank)

De meesten woonden ten oosten van de Nieuwmarkt, rond de Kromme Waal, de Koningsstraat, de Recht- en de Kromboomssloot en de Breestraat, een echte migrantenbuurt. Ze hadden aanvankelijk een huiskerk in de Koningsstraat, maar in 1714 verrees aan de Kromboomssloot een grote Armeense kerk, die er nog altijd staat, en – na een lange onderbreking – sinds 1997 weer in gebruik is als Armeense kerk.

Lees verder op de website van Ons Amsterdam.

Generaal Uquerika in Amsterdam

Op 4 december 1682 tekende de inheems Surinaamse leider Uquerika twee machtigingen bij notaris Dirk van der Groe. Opnieuw een bijzondere vondst, bij deze recent met behulp van Handwritten Tekst Recognition ontsloten notaris. Uquerika was één van de eerste inheemse Surinamers in Amsterdam, en was zeer waarschijnlijk de allereerste die een geschreven bewijs van zijn aanwezigheid achterliet.


Diorama van een Caraïbenkamp, Gerrit Schouten, 1810 (Rijksmuseum) 

Vanaf de vroege zeventiende eeuw kwamen er Inheemse Zuid-Amerikanen, toen vaak Indiaenen of Brasilianen genoemd, naar Amsterdam. Zowel vrije bondgenoten van de West-Indische Compagnie (WIC) en individuele kolonisten, als tot slaaf gemaakte inheemsen. In de notariële en andere Amsterdamse archieven zijn diverse sporen van hun aanwezigheid in Amsterdam terug te vinden. In de eerste helft van de zeventiende eeuw kwamen zij vooral uit Brazilië, vanaf de verovering van Suriname in 1667, kwamen zij vaak daar vandaan.

Lees het hele verhaal op Alle Amsterdamse Akten

De Portugees-Joodse schilder Abraham Mendes (ca. 1613-1684)

In de verbrande protocollen van notaris Benedict Baddel (1594-1658) kwam AAA-vrijwilliger Freek van Eeden afgelopen december een machtiging uit 1639 tegen van de onbekende schilder Abraham Mendes. In de notariële akte machtigde Mendes Manuel Nunes in een gerechtelijke procedure bij de Commissarissen van Kleine Zaken in Amsterdam. Wie was deze schilder van Portugees-Joodse afkomst?

Er zijn niet veel Joodse schilders uit het Amsterdam van de zeventiende eeuw bekend. De bekendste is Samuel d’Orta die een etsplaat met daarop Abrahams verstoting van Hagar en Ishmael kocht van Rembrandt. D’Orta kocht de plaat op voorwaarde dat Rembrandt zelf geen afdrukken meer van zou verkopen, kennelijk vertrouwde hij Rembrandt niet en liet er op 17 december 1637 een notariële verklaring over opstellen. Net als de machtiging van Abraham Mendes gebeurde dit bij notaris Benedict Baddel. De uit Geneve afkomstige Baddel had, waarschijnlijk vanwege zijn talenkennis, veel Portugees-Joodse klanten. Doordat de akten van Baddel ernstig beschadigd zijn bij de stadhuisbrand in 1762, is er tot nu toe minder onderzoek in deze akten gedaan dan veel andere notarissen uit de zeventiende eeuw. In 1639 klopte dus ook schilder Abraham Mendes bij deze notaris aan.

Lees verder op Alle Amsterdamse Akten

Slapen in het secreet

Onder de brug slapen is bijna spreekwoordelijk geworden voor het leven van daklozen op straat. Beschutting zoeken tegen de elementen gebeurde vroeger natuurlijk net zo goed als nu. Onder verschillende bruggen in de stad bevonden zich openbare secreten (urinoirs), waar Amsterdammers in de 17de en 18de eeuw hun behoefte konden doen. Het moeten behoorlijk smerige plaatsen zijn geweest; niet zelden werd er zelfs een lijk uit opgehaald. Maar het waren ook plekken voor buitenstaanders in de samenleving. Bekend is dat mannen er op zoek gingen naar homoseksuele contacten. Daklozen sliepen er: mannen en vrouwen op de vlucht voor de winterkou. Soms ging het om wonderlijke types, zoals ‘Waarzegster Janneke’ en ‘Malle Kees met de bellen’.

Lees het hele verhaal op onsamsterdam.nl

Een lederschildpad uit Suriname (1763)

Met de expansiedrift in Oost en West kwamen er steeds meer exotische dieren naar de stad. Amsterdammers waren in het algemeen verzot op vogels. In boedelbeschrijvingen komen regelmatig parkieten, papegaaien en kaketoes voor. In een testament uit 1647 wordt zelfs het eigendom van een “pelikaanvogel” over twee kinderen verdeeld. 

Matrozen namen vogels en apen mee als souvenir of handelswaar. Op 10 juli 1636 verschenen WIC-kapitein Pierre le Grand en een bierhandelaar bij notaris Henrick Schaef om een verklaring af te leggen op verzoek van Catharina Wiltschut, huisvrouw van collega-kapitein David Adam Wiltschut. Catharina was boos. Haar was een parkiet beloofd, “sijn[de] een indiaensche vogel, die in t spreken van woorden uit verscheijden talen wel geleert was”, maar ze werd opgezadeld met een papegaai. De parkiet was, zo vertellen de getuigen, toevertrouwd aan luitenant Johan van Oosterzee, die de meertalige vogel in Amsterdam aan Wiltschut moest afleveren, maar in Zeeland had geruild voor een papegaai.

Lang niet alle exotische dieren overleefden de lange reis over de oceaan. In april 1763 vertrok het fregat Geertruij en Elsje uit Suriname met aan boord niet alleen de gebruikelijke koffie en suiker, maar ook een “zeer groote zeeschilpad” om in Amsterdam af te leveren. Het dier overleefde de reis niet: hij overleed op 19 mei 1763. Omdat het dode dier erg begon te stinken, gooide de bemanning het in zee. Waarschijnlijk was het een lederschildpad, die van februari tot juli op de modderige stranden van Suriname eieren legt. 

Een enkele keer kwam een aap in een notariële akte terecht, zoals op 7 oktober 1786. Een drietal vrouwen uit de Jordaan legde een verklaring af over de overlast die zij hadden van Jan Straatman en zijn aap. De dames zaten enkele dagen eerder in Laurierstraat bij de Metselaarsgang aan een tafeltje met koekjes, toen Straatman met zijn aap passeerde. De man liet het beestje plotseling los, de koekjes vormden een aantrekkelijke buit en binnen een mum van tijd at de aap bijna alle koekjes op. 

Meer over dieren in notariële akten in ‘‘Een haes die op de trommel slaet’ op de website van Ons Amsterdam (op papier verschenen oktober 2019)

Keti Koti

Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Cariben herdacht. Hiervoor is steeds meer aandacht in de Nederlandse media. Ik werkte mee aan twee tv-reportages.

Met AT5 sprak ik in het Mauritshuis over de zwarte gemeenschap in zeventiende-eeuws Amsterdam, de slavenhandel van graaf Johan Maurits en de veel besproken tentoonstelling Bewogen Beeld in het Mauritshuis.

In de documentaire Geboeid – terug naar de plantage (EO/NPO2) gaat Dwight van van de Vijver op zoek naar het verleden van zijn voorouders in Suriname. Geholpen door de Surinaamse slavenregisters, die sinds kort toegankelijk zijn, ontdekt Dwight steeds meer over zijn familie. De zoektocht brengt hem uiteindelijk op de plantage waar zijn voorouders in slavernij hebben geleefd . Tijdens deze zoektocht bezoekt Dwight ook het Stadsarchief Amsterdam, waar ik hem diverse notariële akten laat zien over de Amsterdamse eigenaren van die plantage.

Dwight van van de Vijver in het Stadsarchief Amsterdam.

‘Ik ben een vrij vrouspersoon, en mach doen wat ik wil!’

Het is 1636, veel staatse troepen liggen nog bij het plaatsje Philippine in Zeeuws-Vlaanderen dat na het beleg van 1633 tot 1635 definitief in handen van de Republiek is gekomen. Tussen de militairen begeven zich ook vrouwen om de kost te verdienen, bijvoorbeeld met het verkoop van etenswaren, maar ook met prostitutie.

Lees op AlleAmsterdamseAkten.nl over Aef Pieters die zich door niemand de les liet lezen.