In het najaar van 1936 openen twee nieuwe jazzcafés In Amsterdam de deuren: de Kit Cat Club in de Wagenstraat en de Palace aan het Thorbeckeplein.
In deze clubs zijn niet alleen de bands, maar ook het personeel grotendeels Zwart. Ze komen vooral uit Suriname. De eerste bijna geheel Afro-Surinaamse band die in de Kit Cat op het podium staat, is die van Teddy Cotton, met niemand minder dan saxofonist Kid Dynamite, Cottons oudere broer en bassist Eddy (zie ook pp. 28-35), de gitarist Eugène Désiré Heije en drummer Johnny Stoffels. Pianist Vic Raijer is de enige witte Nederlander in de band.

Met de trompet Teddy Cotton in de Kit Cat Club, voor Kid Dynamite, Eddy ‘King’ Patrick, achter:Johnny Stoffels, Nic Rayer, Jenny Heye en Eddy Cotton
Vanaf november wordt het stokje overgenomen door de band van Surinamer Walther Rens, met opnieuw een band bestaande uit Surinamers – onder wie Max Woiski en Eddy Patrick – en de Joodse Amsterdammer Max Pohla op de piano. De clubs zijn zeer populair bij Amsterdamse jongeren, en er ontstaan contacten tussen de eveneens jonge musici en een aantal vrouwen in het publiek.
De autoriteiten – in het bijzonder hoofdcommissaris Versteeg en burgemeester De Vlugt – zien het allemaal met argusogen aan. Haast iedere avond zitten er politie-informanten aan de bar die aan de hoofdcommissaris rapporteren over wat er zoal gebeurt. Het resulteert in een vuistdik dossier waarin zelfs onderschepte lief desbrieven worden bewaard. In een rapport vergelijkt Versteeg de Kit Cat met Artis, de muzikanten noemt hij ‘mensapen’ die hij vooral als een gevaar ziet voor ‘blanke meisjes’, die ‘sexueel ten val [worden] gebracht.’ Na klachten en een incident met twee minderjarige Amsterdamse HBS-meisjes wordt de vergunning ingetrokken en de Kit Cat Club gedwongen al het personeel en de band te ontslaan. Andere horecazaken met Surinaams personeel worden ook onder druk gezet. Ondanks diverse petities van ontslagen personeel blijft het hierna lastig voor Afro-Surinamers om in Amsterdam aan de bak te komen.
De Palacebar aan het Thorbeckeplein blijft open, maar ook hier wordt al snel het Zwarte barpersoneel ontslagen. De bar, die al langer bestaat, is eind 1936 omgedoopt in de ‘Negro Palace’. Hier spelen zowel internationale bekende artiesten als lokaal Amsterdams talent.

Mike Hidalgo, Arthur Pay, Kid Dynamite, Freddy Johnson in the Palace 1936
Men spiegelt zich aan Harlem, het centrum van Afro-Amerikaanse cultuur. De wijk in New York is het centrum van wat de ‘New Negro Movement’ genoemd wordt, ook bekend als de ‘Harlem Renaissance’. Het woord ‘Negro’ had niet dezelfde klank die het nu heeft. In dezelfde tijd wordt de activistische en emancipatoire krant The Negro Worker uitgegeven – een clandestiene communistische internationale uitgave waar onder meer Surinaamse politiek activisten als Otto Huiswoud en Anton de Kom voor schrijven.

De Palacebar is een groot succes, vooral dankzij de hoge kwaliteit van muziek die er gemaakt wordt. New Yorkse artiesten als Freddy Johnson, Benny Carter en Coleman Hawkins spelen in de Palace de hoofdrol. De bekende Amerikanen worden afwisselend bijgestaan door Surinaamse jazzartiesten als Kid Dynamite, Arthur Pay, Johnny Stoffels en Mike Hidalgo, en geboren Amsterdammers als Max Pohla, Maurice van Kleef en Boy Edgar.
Jazzgeschiedenis op het Thorbeckeplein
Hawkins wordt een invloedrijke mentor voor de Amsterdamse jazzscene. Een van Amsterdams grootste jazzartiesten, Boy Edgar, vertelt jaren later: “Ik heb het vak geleerd in Nederland, voor de oorlog, van Coleman Hawkins. Die toen in 1936-1937 (…) hier in de Palacebar op het Thorbeckeplein speelde. En dan mocht ik, met een klein aantal andere Nederlandse jazzjongens destijds (…) binnenkomen. Daar heb ik het vak van [jazz] spelen in het publiek geleerd.”
Ook Kid Dynamite leert van Coleman Hawkins en legt zich vanaf dat moment, net als Hawk, toe op de tenorsaxofoon. Het verhaal gaat dat Hawk in de Palace avond aan avond gewerkt zou hebben aan zijn legendarische versie van ‘Body and Soul’.

Coleman Hawkins Trio in Palace aan het Thorbeckeplein
Wanneer Hawkins in 1939 terugkeert naar de Verenigde Staten neemt hij het nummer direct op. Het wordt gezien als een van de vroege voorbeelden van bebop.20 Zijn optredens zouden later voor jazzliefhebbers een belangrijke scheidslijn worden: “Wie Coleman Hawkins op het Thorbeckeplein in Amsterdam heeft horen spelen in de jaren dertig, heeft pas recht van spreken”, schreef journalist en jazzliefhebber Igor Cornelissen in 1992 in Het Parool. Onder de bezoekers waren veel HBS-scholieren en ook kunststudenten van de Nieuwe Kunstschool van Paul Citroen, zoals Benno Premsela, de latere eerste voorzitter van het COC.
Internationaal worden de verrichtingen in de Palace ook gevolgd. Wanneer ook Django Reinhardt acte de présence geeft, schrijft een Nederlandse krant op basis van het beroemde blad The Melody Maker: “De interessantste swing-uitvoering, die vermoedelijk ooit in Holland gegeven is (…) vond plaats toen Django Reinhardt, de Fransche meester van het plectrum, en Coleman Hawkins samen in het Negro-Palace in Amsterdam op het podium verschenen en, geaccompagneerd door Freddie Johnson aan de piano en Maurice van Kleef – die als Hollands „Gene Krupa” geclassificeerd wordt – aan het slagwerk hun beste beentje voorzetten.” Dat het om een legendarische periode ging in de Nederlandse jazzgeschiedenis, was de redacteurs van De Jazzwereld toen al duidelijk: “In de annalen van Amsterdam geschiedenis zou men achter het jaartal 1937 kunnen vermelden: ‘de jeugd trekt naar het Thorbeckeplein’, want ouderlijke bezwaren schijnen opeens te zijn weggevaagd”.
Uit: Jazzjaren. Mensen, migratie en muziek in Amsterdam, 1930-1939