Chocolade uit Suriname

Op bescheiden schaal verzamel ik oude ansichtkaarten uit Suriname. Zo kocht ik vorige week via een bekende online veilingsite een in 1906 naar Utrecht verstuurde ansichtkaart met daarop plantage Groot Chatillon. Naast antiquiteiten koop ik ook graag Surinaamse producten, denk aan Borgoe (rum), Pindasambal of Tjatnie. Dus toen ik las dat  de handgemaakte Surinaamse chocolade van Tan Bun Skrati nu ook in Amsterdam verkrijgbaar is, moest ik die natuurlijk hebben. Twee aankopen die veel meer met elkaar te maken hadden dan dat ik mij aanvankelijk realiseerde.

Hoewel cacao natuurlijk een inheemse plant is in het Amazonegebied en dus ongetwijfeld al bekend was bij de inheemse bevolking, zou de commerciële verbouw van cacao in Suriname rond 1685 geïntroduceerd zijn door Francois Cornelis van Aerssen (1665-1740) op – inderdaad- plantage Groot Chatillon. Francois was zoon van gouverneur Cornelis van Aerssen Sommelsdijck (1637-1688). De familie van Aerssen Sommelsdijk was voor eenderde eigenaar van Suriname. Francois was heer van het kleine Franse plaatsje Chatillon en plantage Groot-Chatillon werd dan ook naar hem vernoemd. 

“Naar Suriname is de cacao door Ridder de Chatillon, zoon van den in 1688 vermoorden Gouverneur G.A. van Sommelsdijck, in 1684 gebracht. ’t Moest zijn bij gelegenheid, dat eenige der dieven en vagebonden, die Gouverneur van Sommelsdijck van uit Nederland (naar hier) had laten komen, zich op eenige gestolen vaartuigen hadden ingescheept en naar de Orinoco gevlucht waren. Ridder de Chatillon, joeg hen toen na met eenige soldaten en bracht hen terug. (…) Waarschijnlijk is het, dat de Chatillon de medegenomen planten aldaar heeft geteeld, zoodat Gr. Chatillon kan beschouwd worden te zijn de eerste plantage in Suriname met cacaoplant” , aldus de Surinaamsche Almanak voor het jaar 1909. 

Het zware werk werd ook op deze plantage gedaan door tot slaaf gemaakte Afrikanen en Inheemsen. Francois van Aerssen zelf was al eerder terug in de Republiek (Nederland), dan dat de eerste cacao Groot-Chatillon verliet. In 1687 vertrok hij met drie vrije en vier tot slaaf gemaakte inheemsen. Wellicht dat onder hen ook de bekende Inheemse leider Erikeja Jupiter was, die zich – zo blijkt uit een verklaring die hij bij de notaris aflegde – in mei 1688 in Amsterdam bevond. Nadat zijn vader in 1688 in Paramaribo door muitende soldaten werd vermoord, keerde Francois van Aerssen voor korte tijd terug naar Suriname om de zaken van de familie te behartigen, maar niet lang daarna vestigde hij zich definitief in Den Haag.

Aan het begin van de 18e eeuw verkocht de familie de plantage. En in de eeuwen daarna verwisselde de plantage regelmatig van eigenaar. Rond 1710 kwam de plantage in handen van familie Wiltens, later de familie Strube, Petrus Baron van Weerden, Walter Kennedy, Samuel Brandon, familie Bueno de Mesquita. Rond 1896 werd het door de overheid aangekocht en ingericht als leprozenkolonie, wat het tot 1972 is gebleven. Waarna het door het Surinaamse regenwoud werd overgenomen. 

In 2015 is men begonnen met de aanleg van zorgboerderij voor dak- en thuislozen.  En door Tan Bun is ook in de cacao cultuur in Suriname nieuw leven geblazen. Tan Bun Skrati werd in 6 jaar geleden opgericht en is naar eigen zeggen “the first chocolate company in Suriname producing end products of cacao. Although Suriname has a long tradition in growing and processing cacao, both as home craft as well as exporting for overseas industries, almost all activity had vanished by the time we started our enterprise.” 

Het zou mooi zijn als Tan Bun Skrati niet het einde van de geschiedenis van cacao in Suriname is, maar een nieuw begin van de productie van hoogwaardige chocolade in Suriname, niet geproduceerd met behulp van dwangarbeid, maar door ondernemende jonge Surinamers.

Mi mus’ singi – Een wellustig liedje uit Suriname

Het Sranantongo is één van de weinige creooltalen met een rijke geschreven traditie die teruggaat tot ver in de achttiende eeuw. Taalgidsen, toneelteksten, bijbelvertalingen en kerkelijke liedboeken geven ons een goed beeld van het taalgebruik en de taalsystematiek van het 18e eeuwse Sranantongo.

Eén genre, dat van de erotische literatuur, bleef echter tot op heden onbesproken, omdat er simpelweg geen 18e eeuwse Surinaamse teksten waren overgeleverd. De recente ontdekking van een zinnenprikkelende liedtekst in het archief van de Weeskamer stelt ons voor het eerst in staat om van dit genre kennis te nemen. De ontdekking betreft het eerste erotische lied in de geschiedenis van het Sranantongo. De tekst is door ons getranscribeerd, hertaald naar het hedendaagse Sranantongo (cursief) en vrij vertaald naar het Nederlands om vervolgonderzoek te faciliteren.

Download de transcriptie en vertaling door Margot van den Berg, Gracia Blanker, Maikel Groenewoud en Mark Ponte