Twee slaafgemaakte Afro-Surinamers op koloniaal familieportret

Mark Ponte

Wie beeldmateriaal over de Surinaamse slavernij zoekt komt al snel uit bij de canonieke gravures uit Stedman of de litho’s van Benoit. Foto’s van mensen die in Suriname in slavernij leven zijn zeer schaars. In de film Amsterdam, Sporen van Suiker van Ida Does waren enkele van dit soort foto’s te zien. En natuurlijk zijn er de foto’s uit 1883 in het boek van Bonaparte met onder andere de voormalige slaafgemaakte Jacqueline Ricket en Syntax Bosselman. Jacqueline Ricket werd in slavernij geboren op plantage Paradise, maar was 3 jaar oud en nog ‘spelend’ bij de emancipatie in 1863.


Familie Bosch Reitz met slaafgemaakte bedienden, Paramaribo 1860 (RKD)

Struinend door de Beeldbank van het RKD stuitte ik enkele jaren geleden op het ‘Portret van Guillaume Jacques Abraham Bosch Reitz (1825-1886) en zijn gezin’. Een bijzondere daguerreotypie uit 1860 van de familie Bosch Reitz in Paramaribo, drie jaar voor de afschaffing van slavernij dus.

Op de foto zien we een typisch tafereel uit de Surinaamse slaventijd. Een witte baby op schoot bij een zwarte slaafgemaakte vrouw met blote voeten. Het was slaafgemaakten niet toegestaan om schoenen te dragen. Links staat een kind van een jaar of acht. De rijke koloniale familie, heeft de zorg en opvoeding van de baby uitbesteed aan slaaf gemaakte vrouwen. Het slaafgemaakte kind links (de ‘Futoboi’), staat ieder moment klaar staat om een klusje uit te voeren. De foto werd genomen in het hun prachtige houten huis aan de Waterkant 36 te Paramaribo.

Op de hoek Waterkant 36 (Collectie Surinaams Museum)

RKD beschrijft de foto als volgt: “Groep in grote kamer. Mevrouw Inniss zittend op grote stoel, waar Guillaume en Josephine achter staan. Guillaume heeft zijn arm om de schouders van zijn vrouw geslagen. Vooraan zit een vrouw met hoofddoek op de grond, met de baby op haar benen. Links staat een kind (bediende?).”

Wie zijn deze mensen? Op de foto staan de Breukelen geboren Guillaume Bosch Reitz (1825­1880) met zijn vrouw Josephine Gibson Austin (1842-­1917) uit Brits-Guyana. Ook Bosch Reitz’ schoonmoeder, Melicent Inniss geboren op het Engels Caribische eiland Barbados, staat op de foto. De baby is Gertrude Elisabeth Sophie Bosch Reitz, geboren in januari 1860. Maar wie zijn de slaafgemaakten op de foto?

Kunnen we deze anonieme mensen die op dat moment in slavernij leefden identificeren? Dat is natuurlijk erg lastig met zekerheid te zeggen. Wel kan je aan de hand van de emancipatieregisters van 1863 en de recent ontsloten slavenregisters een poging wagen.

Toen in 1863 de slavernij in Suriname werd afgeschaft verbleven er vijftien slaafgemaakten bij Guillaume Bosch Reitz. Zij waren afkomstig van verschillende plantages die de familie in handen had. De vrijgemaakten in 1863 waren Julius Babbel (14), Frederika Ellik (45), Andresa Ellik (20), Adriana Falkenstein (80), Jacobus Faré (21), Cornelia Geerberg (60), Juliana Geerberg (16), Adriana Geerberg 5, Clara Giskus (65), Betje Kemnaad (64), Maria Lupson (31), Robert Lupson (15), Frederica Lupson (13), Donderdag Stierbosch (27), Johanneke Betsie (62).

Nou kan er in drie jaar natuurlijk het een en ander veranderd zijn in huize Bosch Reitz, maar het lijkt waarschijnlijk dat deze twee slaafgemaakten ook in 1863 nog bij Bosch Reitz werkten. Zeker de vrouw die voor de kinderen zorgde.

Alleerst het kind dat links staat. Gezien de leeftijden zijn hiervoor eigenlijk maar twee kandidaten, de elfjarige jongen Julius Babbel of het tienjarige meisje Frederica Lupson. De leeftijd van de vrouw die de baby verzorgde, is lastiger te schatten, maar ze lijkt geen zestigplusser en ook geen 18 meer. Ook voor de zittende vrouw zijn er daarom twee kandidaten. Maria Lupson, op dat moment ongeveer 28 jaar oud, en Frederika Ellik die dan 42 zou zijn. Afgaande op de foto lijkt Maria de meest logische kandidaat. Volgens de Surinaamse slavenregisters was Frederica de dochter van Maria. Alles bij elkaar lijkt het mij dan ook zeer waarschijnlijk dat moeder en dochter Maria en Frederica, die in 1863 de achternaam Lupson kregen, hier op de foto staan.


Frederica Lupson (waarschijnlijk), Paramaribo 1860

Maria Lupson (waarschijnlijk), Paramaribo 1860.

Maria en Frederica waren afkomstig van plantage Houttuin. Zij waren tot 1863 in bezit van de Amsterdamse Geertruida Elisabeth Kuvel, echtgenote van Gijsbert Christiaan Bosch Reitz. Alleen al voor plantage Houttuin ontving Kuvel 70.800 gulden compensatie voor het vrijmaken van de slaafgemaakten op 1 juli 1863. Geertruida Elisabeth Kuvel woonde toen de foto gemaakt werd op  Keizersgracht 429 in Amsterdam.

Keizersgracht 429 (dubbelpand rechts)

Maria trouwde op 18 februari 1870 met Charles Lorijntzen. Het huwelijk werd aangekondigd in de Surinaamse kranten. Toevalligerwijs (?) werd in diezelfde krant melding gemaakt van de geboorte van een zoon van Guillaume Bosch Reitz. Maria is overleden op 25 februari 1881. Frederica ben ik nog niet tegen gekomen in latere bronnen.

Mark Ponte

Lea van Bali (ca. 1668-1738)

A life in documents

Lea was born or sold in slavery in Asia, but lived almost 50 years in Amsterdam. She arrived with Jan Parvé and Ida Castelijn from Batavia (Jakarta) in Amsterdam. Most probably in 1690 when Parvé was admiral of the VOC return fleet. In 1691 Lea lived with Ida Castelijn at the Keizersgracht, probably as a servant.

On 21 december 1691 ‘Lea van Balij gewesene slavinne’ (‘former slave’) is baptized in the Westerkerk.

Image
Doopinschrijving Lea van Balij
Image
Image
Nieuwe Kerk Amsterdam

It is not clear how long Lea stayed in the house of the Parvé/Castelijn family, but 17 year later she was living in the Leidse Dwarsstraat. In 1708 she marries Nicolaas Baltus from Ambon (Maluku Islands). Lea is then about 40 years old. A month before their daughter Hester is baptized in the the ‘Nieuwe Kerk’ at Damsquare. Interesting enough the witness Esther Jans van Bantam is also from Indonesia.

Image
31 July 1708, baptism of Esther

On 17 august 1712 daughter Elisabeth is baptized in the same church, again witnessed by (H)Ester Jans.

Nicolaas Baltus died a little more then six years later, in 1719. On the 12th of January Nicolaas was buried at the Karthuizer cemetery. According to the registry the family was living in the Goudsbloemdwarstraat in the Jordaan at that moment.

Image
Image
Karthuizer cemetery, 1728

Almost a year after the dead of her first husband Lea van Bali marries Jan Davidse van den Heuvel from Amsterdam.

Image
Lea’s second marriage
Image

1728 is a sad year for Lea. In February, her second husband Jan dies and in July her daughter Hester. The family then lives in Goudsbloemstraat, between Brouwersgracht and the Eerste Bloemdwarsstraat. Jan leaves three children, probably from his first marriage.

Image

Brouwersgracht and the Eerste Bloemdwarsstraat

Ten years later, 31 march 1738, almost 50 year after her forced migration to Amsterdam, Lea passes away. She is buried at the Noorderkerkhof.

Image
Registration of the burial of Lea van Balij, 31 march 1738.
Image
Noorderkerk and cemetery

This post was first published as thread on Twitter (ook in het Nederlands)

Keti Koti

Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Cariben herdacht. Hiervoor is steeds meer aandacht in de Nederlandse media. Ik werkte mee aan twee tv-reportages.

Met AT5 sprak ik in het Mauritshuis over de zwarte gemeenschap in zeventiende-eeuws Amsterdam, de slavenhandel van graaf Johan Maurits en de veel besproken tentoonstelling Bewogen Beeld in het Mauritshuis.

In de documentaire Geboeid – terug naar de plantage (EO/NPO2) gaat Dwight van van de Vijver op zoek naar het verleden van zijn voorouders in Suriname. Geholpen door de Surinaamse slavenregisters, die sinds kort toegankelijk zijn, ontdekt Dwight steeds meer over zijn familie. De zoektocht brengt hem uiteindelijk op de plantage waar zijn voorouders in slavernij hebben geleefd . Tijdens deze zoektocht bezoekt Dwight ook het Stadsarchief Amsterdam, waar ik hem diverse notariële akten laat zien over de Amsterdamse eigenaren van die plantage.

Dwight van van de Vijver in het Stadsarchief Amsterdam.

Onbekende slavernijverhalen bij bekende Rembrandts

We kennen Rembrandt vooral van werken als de Nachtwacht en de Joodse bruid, maar hij schilderde en tekende in de loop van zijn carrière ook diverse zwarte vrouwen en mannen. Dat kon hij op zijn meesterlijke wijze doen omdat hij in een multiculturele zeventiende-eeuwse stadswijk woonde: de wijk rondom de huidige Jodenbreestraat waar ook tientallen mensen van Afrikaanse afkomst woonden. Mensen die hij op straat tegenkwam en kon uitnodigen in zijn atelier.

Twee Moren’, Rembrandt van Rijn, 1661, Collectie Mauritshuis

Het hoogtepunt van Rembrandts ‘zwarte’ oeuvre vormt natuurlijk het schilderij dat nu – toepasselijk genoeg – in het Mauritshuis in Den Haag hangt. Toepasselijk omdat net als Maurits de meeste Afrikanen die in Rembrandts omgeving woonden een geschiedenis hadden in Nederlands-Brazilië, zij het op heel andere trede van de maatschappelijke ladder. Niet alleen namen allerlei teruggekeerde kolonisten tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen als bedienden mee naar Amsterdam, ook vestigden zich hier een groep zwarte zeemannen en soldaten. Mannen die veelal in dienst waren geweest van de West-Indische Compagnie. Sommige van deze zeelui kenden de hele Atlantische Wereld, van Angola, Brazilië, het Caribisch gebied tot Nieuw-Amsterdam, het huidige New York.

Lees meer op overdemuur.org

Mensen kopen in Amsterdam

Vanaf het eind van de zestiende eeuw tot 1863 was Nederland betrokken bij slavernij en slavenhandel. Honderden Amsterdamse en Zeeuwse schepen werden in deze periode uitgerust om in Afrika mensen te kopen. Deze mensen werden vervolgens als slaven verkocht aan West-Indische plantages. Maar je hoefde niet naar Suriname of Berbice af te reizen om slaveneigenaar te worden.

Lees meer op www.alleamsterdamseakten.nl

Van vrijheid in Amsterdam tot onderdrukking op de plantages

Surinaamse geschiedenis door de ogen van de voorouders van Jörgen Raymann

Verborgen Verleden laat zien dat je aan de hand van persoonlijke verhalen zoals die van David Nassy ingewikkelde geschiedenis op een aangrijpende en begrijpelijke manier toegankelijk kan maken.

In het televisieprogramma Verborgen Verleden gaan bekende Nederlanders op zoek naar de geschiedenis van hun voorouders. Dit levert vaak mooie en ontroerende verhalen op over gewone mensen tegen de achtergrond van grote gebeurtenissen in het verleden, zoals een soldaat in het leger van Napoleon of Ieren op de vlucht voor de hongersnood van 1845. Zo’n confrontatie met het vaak zware leven van voorouders kan een heftige ervaring zijn. Dat gold in het bijzonder voor de aflevering van Jörgen Raymann waaraan ik een bijdrage mocht leveren.

Lees verder op Over de muur

Veel meer dat 1% van de Nederlanders kwam in aanraking met slavernij

In reactie op het opiniestuk van Martin Sommer toont Mark Ponte dat het idee dat slechts 1% van de Nederlanders te maken kreeg met slavernij een grove onderschatting is van de historische werkelijkheid.

“Hooguit 1 procent van de Nederlanders heeft ooit te maken gehad met de slavernij”, schreef columnist Martin Sommer op basis van een telefoongesprek met emeritus hoogleraar Piet Emmer in De Volkskrant (Opinie, 26 augustus). Terecht stelde Jörgen Tjon A Fong in zijn reactie dat de gevolgen van slavernij in de maatschappelijke ongelijkheid en niet in de cijfers zitten (Opinie, 29 augustus), maar ook op het percentage van 1% valt heel wat af te dingen.

Lees meer op Over de Muur

Vijfjarig meisje uit Batavia zonder moeder in Amsterdam

Willemina Markus was pas vijf toen zij werd meegenomen naar Amsterdam, haar moeder bleef in slavernij achter in Batavia. De laatste jaren is er meer aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuwen leefden er vele tienduizenden mensen in gebieden onder het beheer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in slavernij. Sommige van hen kwamen uiteindelijk in de Republiek terecht, als knecht, dienstmeid en soms zelfs een kind, zoals Willemina.

Lees meer op alleamsterdamseakten.nl

Geld lenen aan plantages op het eiland St. Croix

Amsterdamse handelshuizen hielden zich niet alleen bezig met plantages in Nederlandse koloniën als Suriname en Berbice. Tijdens het indexeren op Velehanden kwam BMH de oprichtingsakte tegen van een negotiatiefonds, een soort investeringsfonds, ten behoeve van planters op het Deens Caribische eiland St. Croix. 

In totaal werd er ‘zes maal honderd negentien duizend zevenhonderd drie en dertig guldens’ ingelegd door enkele honderden investeerders. In de akte die bij Notaris Homrigh werd opgemaakt, vinden we de namen van alle investeerders. Het gaat om mensen uit diverse steden in de Republiek, zoals Alkmaar, Nijmegen en Vianen. Onder de de investeerders waren uiteraard veel Amsterdammers, niet alleen komen we bekende familienamen tegen zoals Geelvinck, Van Lennep, Bicker en Clifford, notaris Homrigh zelf investeerde niet minder dan 9000 gulden op naam van diverse familieleden. Als allerlaatste worden de twee meest prominente investeerders opgevoerd: zes aandelen van elk duizend gulden op naam van “Zijne doorl. Hoogheid Prins Willem de Vijfde, Erfstadhouder der Vereenigde Nederlanden’ en ‘Anna van Brunswijk Lunenburg Kroonprinces van Groot Brittanien’.

Lees meer op Alle Amsterdamse Akten