1607 – Juan Dias uit Granada

Op 4 augustus 1607 ging de 60-jarige Juan Dias uit Granada in Amsterdam in ondertrouw met Lijsbeth Heijnrixdr, een weduwe uit Stade in Nedersaksen. Het stel woonde in de Geelvinksteeg in Amsterdam. Opvallend detail: Juan Dias was gelost (vrijgemaakt) uit de Spaanse galeien. Een voormalige galeislaaf uit Granada dus.

Mogelijk was Dias een Morisco, wellicht eerder dat jaar vrijgemaakt bij de Slag bij Gibraltar of bij een van de andere slagen tussen de Republiek en Spanje.

Het huwelijk werd voltrokken in Middelburg.

De ondertrouwregisters vormen de belangrijkste bron voor vroegmoderne diversiteit in de stad Amsterdam. In de ondertrouwregisters vind je alle groepen terug in de stad Vlamingen, Portugese Joden, Scandinaviërs, en ook de Zwarte gemeenschap. Tot 1656 ging met in ondertrouw in de Oude Kerk Amsterdam, daarna gebeurde dat op het nieuwe stadhuis op de Dam.


Mark Ponte

Kaarsen voor de Synagoge

19 juli 1622 klopt notaris Laurens Lamberti aan bij de Portugese Amsterdammer Symon Franco. Franco woont in het tweede huis van de Turfsteeg in Amsterdam (links gemarkeerd op de kaart). Notaris Lamberti is daar op verzoek van de pachters van de impost (belasting) op de kaarsen in de stad. In het zijkamertje van de woning aan de Turfsteeg liggen namelijk vierentwintig witte waskaarsen. De notaris wil weten van wie de kaarsen zijn en wie ze gemaakt heeft. Franco spreekt geen Nederlands. Gelukkig woont er een dienstmeisje in het huis dat zowel Nederlands als Portugees spreekt. Franco legt uit – via zijn tolk/dienstmeisje – dat hij de kaarsen heeft gemaakt, in opdracht van zijn kerk (de synagoge, rechts op de kaart).

Mark Ponte

Lea Parijs, vrijgemaakte Afro-Guyanese vrouw in Amsterdam

Doopinschrijving Lea Parijs, 2 mei 1802

Op 2 mei 1802 werd in de Engelse kerk aan het Begijnhof in Amsterdam Lea Parijs gedoopt. Volgens het doopboek van de Engelse kerk op het Begijnhof was zij ‘a Negroe manumitted free woman of mr. Anthony Meertens”, een door Anthony Meertens gemanimuteerde zwarte vrouw dus. Lea Parijs was 42 toen zij gedoopt werd. Meertens en zijn vrouw Johanna Hendrina Catherina Slengarde waren de getuigen bij de doop. Lea Parijs kwam uit Demerary, waar Meertens bestuurder en plantage-eigenaar was. Meertens was geboren in Middelburg maar woonde jaren in Demerary. Het echtpaar Meertens Slijngaarde trouwde in 1780 in de toe Nederlandse kolonie. Een van hun plantages heette ‘Klein Parijs’.

Doopinschrijving Antoinette Mertens, 22 november 1801

Een half jaar voor de doop van Lea Parijs, op 22 november 1801, werd in dezelfde kerk Anthoinetta Meertens gedoopt dochter van Anthony Meertens en Johanna Slengarde. Anthoinetta was geboren op 25 mei 1800 – op 34 graden NB – aan boord van het Engelse schip ‘Granada’ olv Captein Richardson, onderweg van Demerary naar London. Het lijkt waarschijnlijk dat Lea ook aan boord van dit schip was. Het is vrijwel zeker dat de hoog zwangere vrouw een of meer bedienden mee zou nemen op reis. Waarschijnlijk werkte Lea Parijs als vroedvrouw, en misschien ook als min. 

Doopinschrijving George Schrack, 23 november 1801

Een dag na de doop van haar Anthoinette was Johanna Slengarde opnieuw bij een doop, ditmaal in de Lutherse kerk. Op 23 november was zij getuige van de doop van George, zes jaar eerder geboren op plantage Rome in Demerary. Zijn vader was George Daniel Schrack en moeder Sophia, een achternaam wordt niet genoemd, waarschijk was Sophia een slaafgemaakte of vrije zwarte vrouw. Ook Plantage Rome was eigendom van Anthony Meertens. De andere getuige Jaques Marc Fraissinet was de directeur van het negotiatiefonds van deze plantage.

Wat er daarna met Lea Parijs en George Schrack gebeurd is, is mij nog niet bekend.

Verliefd op de buurman

Niets menselijks was de 17de-eeuwse Amsterdammer vreemd. Dat blijkt uit de Amsterdamse Akten, waar veelvuldig gevallen van overspel zijn opgetekend.

Het notarieel archief van Amsterdam bevat opvallend veel akten over overspel. Het liefdesleven van de gemiddelde Amsterdammer was in vroeger tijden net zo dynamisch als tegenwoordig, maar de officiële en kerkelijke moraal inzake huwelijkse trouw was wel een stuk strenger. Duizenden Amsterdammers stapten naar de notaris om iemand te beschuldigen van overspel, dan wel om zo’n beschuldiging tegen te spreken. Buren en bekenden werden gehoord, meestal op verzoek van de bedrogen partij, om er schande van te spreken.

Lees dit verhaal op de site van Ons Amsterdam of Alle Amsterdamse Akten / Stadsarchief Amsterdam.

Een dromedaris met twee bulten

In 1633 tekende Rembrandt een kameel en noemde het dier een dromedaris. Hij was niet de enige, Ernst Brinck (1582 – 1649) zag in 1635 in zijn woonplaats Harderwijk ook een dromedaris en die had ‘2 vleppen ofte vulten’ op zijn rug ‘soo dat men tusschen die beijde sitten konde’. Mogelijk was het dezelfde kameel, in die tijd werden er allerlei dieren van kermis naar kermis en van jaarmarkt naar jaarmarkt gesleept.

Beschrijving ‘dromedaris’ Ernst Brinck uit 1635.

Ernst Brinck schreef ook dat er 22 Noord-Afrikaanse kamelen naar het Caribische eiland Barbados werden gebracht om ze aldaar te houden en ermee te fokken. Dat laatste mislukte jammerlijk, de dieren kregen geen jongen op het eiland.

Ernst Brinck schrijft over kamelen voor Barbados.


#rembrandt #ernstbrinck

Anti-christelijke taal van een Turkse koopman op de Nieuwmarkt

AMSTERDAMSE AKTEN • 7 augustus 2023 • Door Mark Ponte

De Turkse koopman Mustaffa had schulden, liet zich kwalijk uit over christelijke zaken en bedreigde mensen. Stadgenoten rapporteren erover bij de notaris.

De Amsterdamse Notariele Akten uit de 17de en 18de eeuw geven unieke inkijkjes in het internationale karakter van de stad Amsterdam. In de omgeving van de Nieuwmarkt bevond zich een groep kooplieden, bestaande uit Grieken, Armeniërs, Turken en Italianen. Zij werden aangetrokken door de mogelijkheden op de Amsterdamse koopmansbeurs en verbleven voor korte of langere tijd in de handelsstad. Ze hadden een vaste stek op de beurs en ze woonden of logeerden onder meer op de Sint Antoniebreestraat ‘in de Persiaen’, in logementen in de Bethaniënstraat of op de Boomsloten, waar in de 18de eeuw de nog altijd bestaande Armeense kerk gebouwd werd.

De meeste van deze migranten kwamen uit de Levant, Turkije, Armenië of Iran, maar ze hadden nogal wisselende ‘identiteiten’ – de landsgrenzen van vandaag lagen vroeger anders. Zo identificeerde de uit Constantinopel afkomstige kruidenier Jean Gaston zich als ‘Armeniër’ en was de ‘Griek’ Jan Elias afkomstig uit Aleppo (zie Ons Amsterdam van februari 2023). Gaston gebruikte in zijn akten het Latijns schrift, Elias het Arabisch. 

Hun handelsnetwerken strekten zich dan ook uit rond de Middellandse Zee en verder langs de Zwarte Zee en Indische Oceaan, en ze waren bovendien verbonden aan eeuwenoude routes over land. Bij de Amsterdamse notarissen kwamen zij vooral langs om handelscontracten te tekenen, maar ook om verslag te doen van conflicten die zich regelmatig binnen de gemeenschap afspeelden. 

Zoals in 1656, rond de Turkse koopman Mustaffa. Die was dat jaar met handelswaar uit Venetië in Amsterdam aangekomen en hij had onderdak gevonden bij de Armeniër Gregorius Martinus op de Boomsloot. Op verzoek van de laatste vertellen Jan Elias, ‘Grieks coopman’, Juanni Jacob, Tatos Baba, Demetry Augustus en Joannes Petri op 5 december 1656 bij de notaris in aanwezigheid van Sirkis Bogos, ‘tolck van de Asiatische taelen’, dat zij erbij waren toen Gregorius enkele maanden eerder ‘met Mustaffa Turck afreeckende van eenige penningen, die de requirant met Mustaffa tot zijne noodige onderhout & montcosten hijer ter landen t’sedert zijne comste van Venetien verstreckt hadde’.

Lees verder

Pieter Claesz Bruijn and Lijsbeth Pieters

Published in: ‘Black in Rembrandt’s Time’, 2020.

In the archives, we often stumble across fragments of human lives: declarations, authorizations, or contracts that demonstrate the existence of a person otherwise absent from the historical record. Many thousands of Amsterdam men took to the sea in the service of the Dutch East India Company (VOC), Dutch West India Company (WIC), or merchant marine. This undoubtedly also applies to black Amsterdammers. Some of them probably never visited a public notary or served as a godparent at a baptism. For a few of them, some traces of their lives have been preserved. A case in point is the married couple Lijsbeth Pieters of Angola and Pieter Claesz Bruijn of Brasil.

Marriage bann of Pieter Claes Bruyn from Brazil and Lijsbeth Pieters from Angola, 6 November 1649.

Shortly before four o’clock on 23 March 1640, Pieter Claesz Swart of Brasil entered the office of Henrick Schaeff, behind WIC headquarters on Haarlemmerdijk, accompanied by Willem de Keijser of Middelburg. Schaeff was both a notary and a clerk for the WIC, and the boundary between his two roles was often blurred. Thousands of sailors on the verge of departing for the Atlantic region – territories ranging from West Africa and Brazil to New Amsterdam and North America – visited him for various purposes, such as signing letters of debt to the many local innkeepers, thus pledging away much of their pay. Both Pieter and Willem worked for the WIC, and they had accumulated debts of 50 and 100 guilders respectively to Jan Pietersz Santdrager and his wife Anna Jansz in Amsterdam.

De Hollandse Tuyn and other ships have returned from Brazil under the command of Paulus van Caerden, painting by Hendrick Vroom.

Pieter Claesz Swart was a man of colour. He was a bosschieter – an able seaman – from Brazil, and in 1640 he was about to embark on a new voyage on the WIC yacht Goerree. One of the two notarial deeds that Pieter Claesz signed that day describes him as speaking the Dutch language proficiently. Four years later, Pieter Claesz was back in Amsterdam, where he again accumulated a debt to the keeper of a hostelry in the Jordaan district, this time amounting to no less than 124 guilders, easily a year’s salary for a seaman. This time, interestingly, he is referred to as Peter Claesz Bruijn van Brazilië. (Swart means ‘Black’ and Bruijn means ‘Brown’.) This is the name under which he was later known. In January 1644, he went to sea again, this time on the WIC vessel Mauritius.

Map of Vlooienburg / Jodenbreestraat Area, 6 is House Moyses, 7 Rembrandt’s studio.

At that time, Pieter Claesz was not yet in touch with the small black community around Jodenbreestraat. He accumulated his debts in inns for white people, and the witnesses to his notarial deeds were white. By the late 1640s and 1650s, this situation had changed. In November 1649, when Pieter Claesz was 44 years old, he registered to marry to Lijsbeth Pieters of Angola, whom the notarial deed listed as living in Jodenbreestraat. He probably moved in with her. It is not clear whether he returned to sea after that or remained in Amsterdam. What we do know is that he was in Amsterdam in 1659. In August and October he was a witness to the baptisms of black children in the Catholic house church in the Huis Moyses in Jodenbreestraat. The first of these children, Pieter – undoubtedly named after Pieter Claesz – was the son of Alexander van Angola and Lijsbeth Dames. The second child – Catharina – was the daughter of Louis and Esperanza Alphonse. That same day, Nicolaus, the son of Emanuel and Branca Alphonse, was also baptized. The witness was Lijsbeth Pieters. She had also acted as a witness a few years earlier, in 1657, at the baptism of that couple’s first child Lucretia, as well as for Lucia, the daughter of Bastiaan and Maria Ferdinandes. These are all names of people from the small black community in and around Jodenbreestraat, of which Pieter and Lijsbeth had become important members.

How to cite: Mark Ponte, ‘Pieter Claesz Bruijn and Lijsbeth Pieters’, in: Elmer Kolfin and Epco Runia ed., Black in Rembrandt’s Time, W Books / The Rembrandt House Museum, Amsterdam 2020, 60-61.

Een slaafgemaakte familie in Amsterdam


In 1783 werden Anthony, zijn vrouw Magdalena en hun zoontje Emanuel vanuit Curaçao naar Amsterdam meegenomen. Daar kwamen zij terecht in een woning aan de Nieuwe Herengracht, het huidige nummer 105. Anthony was de persoonlijke bediende van de oude koopman Isaac Pardo. Ook Magdalena werkte als bediende. Hoe oud Emanuel was en of hij ook moest werken is niet bekend. Anthony en zijn familie leefden op Curaçao in slavernij, in Amsterdam was hun status niet zo duidelijk.

Pesachmaaltijd bij de Familie Nunes da Costa aan de Nieuwe Herengracht 49. Bernard Picart, 1725 (Amsterdam Museum)

Lees het verhaal op alleamsterdamseakten.nl

‘Wel broer neem jij twee zwarten meede?’

Op 12 juli 1683 ging in de Stadsschouwburg van Amsterdam het toneelstuk ‘De Belachelijke Jonker’ van Pieter Bernagie (1656-1699) in première. Het stuk is een hit en werd in de decennia daarna tientallen keren opgevoerd. Eén van de hoofdpersonen is Joris, die na een carrière van ruim dertig jaar in Azië terugkeert in Amsterdam. In de op een na laatste scene blijkt dat de VOC-veteraan naast goederen en mooie Aziatische kleren, ook twee zwarte bedienden heeft meegebracht, niet voor zichzelf maar voor een belangrijk heer: ‘Wel broer neem jij twee zwarten meede?’ vraagt zijn zus Neeltje aan Joris, ‘Ja, ’t is om aan een magtig Heer Te geeven, zy verstaan ’t geweer , Zy konnen danssen.’  Hoewel het hier om fictie gaat, laat het zien dat de praktijk van het meenemen en weggeven van bedienden een normaal verschijnsel was in de toenmalige Republiek. Zo hebben diverse mensen van Afrikaanse herkomst aan het hof van de Oranjes in Den Haag gewerkt, van wie een aantal als kind ‘cadeau’ werd gedaan aan het Hof.  

Ook in Amsterdam woonden zwarte kinderen in huishoudens. Zo werd op vrijdag 10 februari 1668 in de Oude Kerk Dominicus, “een swart out omtrent 10 a 12 jaar”, gedoopt die bij Claes Philipsoon op de Oude Waal woonde.  En op 16 juni 1673 werd in de Nieuwezijds Kapel Otto gedoopt, ‘een moor’, vernoemd naar Graaf Otto van Limburg Stierum, die zelf getuige was bij die doop.  In 1674 werd de 18-jarige Jan Pick van Angola vrijgemaakt door Alleta Hontum, weduwe van de in Brazilië geboren kapitein van het slavenschip De Prins Oranje te Paard, Laurens de Rasiére.

In de 18e eeuw bleef het meenemen van slaafgemaakte kinderen een veel voorkomend verschijnsel. Een voorbeeld is het Ghanese jongetje Presto, die later als Christiaan van de Vegt gedoopt zou worden. Hij kwam eerst aan het stadhouderlijk hof terecht en werkte later jarenlang bij burgemeester D’Arrest van Weesp in huis.

Collectie: Graphische Sammlung im Städelschen Kunstinstitut, Frankfurt am Main , inv./cat.nr 950

In deze tekening (1763) van een scene uit de Belachelijk Jonker door Jacob Buys uit de ‘Belachelijk Jonker’, zijn twee Zwarte jongens te zien. Waarschijnlijk dienden de bedienden aan het Haagse Hof Cupido en Sideron als model, twee slaafgemaakte kinderen ‘geschonken’ aan het hof.